Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-05
ECLI:NL:CRVB:2017:3397
16/7688 AW, 17/1083 AW, 17/2168 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 november 2016, 15/4416 AW (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van bestuur van Onderwijsstichting Arcade (appellant) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 5 oktober 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. V.G.A. Kellenaar bij brief van 13 december 2016 hoger beroep ingesteld en bij brief van 16 januari 2017 de gronden van het hoger beroep kenbaar gemaakt. Deze gronden zijn door de Raad bij brief met verzenddatum 1 februari 2017 aan betrokkene toegezonden. Appellant heeft op 24 januari 2017 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen. Namens betrokkene heeft mr. R.H. Bossen, advocaat, bij brief van 16 februari 2017 beroep tegen het nadere besluit ingesteld. Bij brief van 16 maart 2017, door de Raad ontvangen op 17 maart 2017, heeft hij een inhoudelijk beroepschrift tegen dat besluit ingediend. Daarbij heeft hij tevens verzocht dat beroepschrift als incidenteel hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aan te merken. Bij brief van 8 mei 2017 heeft mr. Kellenaar een nader stuk ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kellenaar, A.E. Heijningen en P.B.G. van der Linden. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bossen. Aan het slot van de zitting hebben partijen afgesproken met elkaar in gesprek te gaan om te onderzoeken of zij alsnog tot overeenstemming kunnen komen. Nu partijen hebben bericht dat zij daar niet in geslaagd zijn, doet de Raad thans uitspraak. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene, geboren op [geboortedatum] 1961, is sinds 1 november 1983 werkzaam geweest in het onderwijs, als groepsleerkracht en als lid van de schoolleiding. Sinds 1 augustus 2007 was hij werkzaam voor (de rechtsvoorganger van) appellant, aanvankelijk als locatieleider van een openbare basisschool (obs) te [vestigingsplaats 1] en vanaf 1 januari 2009 als directeur van een obs te [vestigingsplaats 2] . Met ingang van 1 augustus 2012 is appellant aangesteld in de functie van groepsleerkracht aan de obs [naam obs] te [vestigingsplaats 3] . 1.2. Om zijn didactisch functioneren te ontwikkelen, heeft betrokkene in 2013 en 2014 coachingstrajecten gevolgd. In maart en april 2013 heeft hij coaching gekregen van een collega, in de vorm van lesobservaties met nabesprekingen. Naar aanleiding van een nulmeting door het extern adviesbureau Cedin in juni 2013, met als eindoordeel ‘onvoldoende’, is besloten tot een extern coachingstraject door een adviseur van Cedin in de vorm van tien lesobservaties met nagesprekken. Op 27 januari 2014 is hiervan door de coach verslag uitgebracht. Ook zijn, door een andere adviseur van Cedin, in februari 2014 de resultaten van het coachingstraject beoordeeld. De conclusie luidde dat betrokkene in voldoende mate de basisvaardigheden als leerkracht beheerst, met uitzondering van het directe instructiemodel: er zullen nog stappen moeten worden gemaakt op het formuleren van heldere lesdoelen en het bereiken van de lesdoelen. Om op de resterende punten (effectieve instructie, activeren van leerlingen, differentiatie in instructie, groepsaansturing en klassenmanagement) tot verbetering te komen heeft Cedin een tweede coachingstraject uitgevoerd. Op 23 september 2014 is daarvan verslag uitgebracht. Daarbij is onder meer geconstateerd dat betrokkene didactisch ontwikkeling heeft laten zien en dat het model effectieve instructie wordt gerealiseerd. De verworvenheden zijn niet incidenteel en worden ook bij andere vakken toegepast. Ook zijn, door een andere adviseur van Cedin, de doelen en resultaten van het traject beoordeeld. 1.3. Op 9 oktober 2014 heeft het Bureau Meesterschap in opdracht van appellant rapport uitgebracht over het functioneren van betrokkene, met als eindconclusie dat zijn competen Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het niet kenbaar is geweest dat met het onderzoek door Bureau Meesterschap een eindbeoordeling zou worden gegeven die gezien zou moeten worden als sluitstuk voor het verbetertraject en rechtspositionele consequenties zou kunnen hebben. Bij vergelijking van de gerapporteerde resultaten van Cedin met die van Bureau Meesterschap blijken deze in die zin overeen te komen dat betrokkene volgens beide rapportages op dezelfde normindicatoren (afkomstig uit het waarderingskader van de Onderwijsinspectie) onvoldoende scoort; deze stelling is bij brief van 8 mei 2017 in die zin genuanceerd dat nader onderzoek uitwijst dat er veel overeenkomsten zijn. De rechtbank heeft voorts ten onrechte geoordeeld dat het oordeel van ‘zeer ernstige ongeschiktheid’ binnen een relatief kort tijdsbestek is gegeven. 4.2. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de Raad af dat betrokkene er lange tijd van uit heeft mogen gaan dat de eindbeoordeling van bureau Cedin de afsluiting zou vormen van het door hem gevolgde coachingstraject. Die eindbeoordeling, waarvoor in juli 2014 een afzonderlijke opdracht werd verstrekt, werd uitgevoerd door een Cedin-adviseur die niet bij de coaching betrokken was geweest. Daartoe werden op 23 en 26 september 2014, eenmaal ongepland en eenmaal gepland, gedurende een dagdeel de lessen van betrokkene geobserveerd. De conclusies waren, behoudens enkele aandachtspunten, in het algemeen positief. Dat deze beoordeling niet als een eindbeoordeling kan worden beschouwd, zoals appellant ter zitting van de Raad heeft gesteld, kan de Raad niet volgen, gelet op de afspraken die in juli 2014 werden gemaakt en gelet op de aanduiding ‘eindbeoordeling’, die in de rapportage wordt gehanteerd. Dat niet alle aspecten van het functioneren van betrokkene in die eindrapportage zijn besproken, wordt verklaard door het gegeven dat over die aspecten al eerder, in de tussenrapportage van februari 2014, was gerapporteerd door Cedin, waarbij de resultaten voldoende waren bevonden. 4.3. Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat hem pas op 19 september 2014 werd meegedeeld dat behalve Cedin ook Bureau Meesterschap een eindbeoordeling zou gaan doen, als second opinion, omdat Bureau Meesterschap een meer onafhankelijk bureau zou zijn. Deze tweede eindbeoordeling vond plaats op de ochtend van 9 oktober 2014. In de rapportage wordt geconcludeerd dat het pedagogisch handelen voldoende is, maar dat het didactisch handelen te veel tekortkomingen vertoont en onvoldoende is. De dagelijkse planmatige uitvoering van de zorg ontbreekt. Betrokkene toont gelet op zijn staat van dienst te weinig inzicht in de afstemming op leerlingniveau. Eindconclusie: de competenties zijn onvoldoende. In zijn schriftelijke reactie op dit rapport, opgesteld naar aanleiding van de hoorzitting in bezwaar, heeft betrokkene gewezen op een aantal factoren die de gang van zaken in negatieve zin hebben beïnvloed. Allereerst heeft, doordat de observator te laat in de les verscheen, de afgesproken kennismaking en voorbespreking tussen betrokkene en observator niet plaatsgevonden. Niet alleen heeft dat de bij betrokkene aanwezige stress vergroot, maar bovendien heeft hij de observator niet kunnen vertellen dat hij die ochtend onverwacht les moest geven aan een combinatieklas 5 en 6, terwijl de niveaus van de vijfdegroepers voor drie van de vijf vakken onbekend bij hem waren, omdat hij deze leerlingen nog niet eerder voor deze vakken in de les had gehad. Ook in andere opzichten waren er niveauverschillen tussen de leerlingen, die het lesgeven compliceerden. Niettemin heeft appellant de conclusies van het rapport zonder meer onderschreven, en deze ten grondslag gelegd aan het ontslag wegens ernstige ongeschiktheid. 4.4. De Raad begrijpt de aangevallen uitspraak aldus, dat volgens de rechtbank niet inzichtelijk is gemotiveerd hoe het mogelijk is dat zo kort na de eindbeoordeling van bureau Cedin, die een onmiskenbare