Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-06-21
ECLI:NL:CRVB:2017:2258
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,344 tokens
Inleiding
16/1717 WARZO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 februari 2016, 15/2216 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 juni 2017
Procesverloop
Namens appellante heeft A.H. Knigge, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding, bestaande uit wettelijke rente.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.T. Bosch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
Overwegingen
1.1.
Appellante is vanaf 1 december 2013 werkzaam geweest bij [naam werkgever B.V.] ([werkgever 1]) voor 16 uur per week en bij [werkgever 2] voor 24 uur per week. Met ingang van 1 mei 2014 heeft appellante haar werkzaamheden bij [werkgever 2] beëindigd en heeft zij haar werkzaamheden bij [werkgever 1] uitgebreid naar 40 uren per week. Op 16 oktober 2014 is appellante ziek gemeld bij het Uwv wegens zwangerschapsklachten.
1.2.
Bij besluit van 29 oktober 2014 is appellante per 16 oktober 2014 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend waarbij het dagloon is vastgesteld op € 127,65.
1.3.
Bij besluit van 8 januari 2015 is appellante per 7 januari 2015 een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) toegekend waarbij het dagloon is vastgesteld op € 128,21.
1.4.
Het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 29 oktober 2014 en 8 januari 2015 is bij beslissing op bezwaar van 16 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het refertejaar voor de vaststelling van het dagloon vastgesteld op de periode van 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2014. Voor de dagloonberekening is uitgegaan van het loon dat appellante in het refertejaar ontving uit de dienstbetrekking waaruit zij ziek is geworden, zijnde het dienstverband met [werkgever 1]. Het loon dat appellante uit het dienstverband met [werkgever 2] ontving is buiten beschouwing gelaten.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante in het refertejaar laatstelijk heeft gewerkt bij [werkgever 1]. Gelet op artikel 15 van de ZW en artikel 3 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) is het dagloon terecht vastgesteld op basis van het loon dat appellante in het refertejaar heeft genoten uit de dienstbetrekking met [werkgever 1], omdat zij uit die dienstbetrekking door ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van haar arbeid. De omstandigheid dat de Raad eerder heeft overwogen dat uitgangspunt is dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet geven van het welvaartsniveau van de betrokken werknemer, kan geen grondslag vormen om bij de berekening van het dagloon ook het loon dat appellante in de periode van 1 december 2013 tot 1 mei 2014 heeft verdiend bij [werkgever 2] te betrekken, reeds omdat ook in artikel 15 van de ZW – een wet in formele zin – is bepaald dat voor de berekening van het ziekengeld moet worden uitgegaan van hetgeen is verdiend in de dienstbetrekking waaruit de werknemer door ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid. Nu het Uwv het ZW-dagloon terecht heeft vastgesteld op € 127,65 per dag heeft het Uwv het dagloon voor de WAZO, gelet op artikel 3:13, tweede lid, van de WAZO waarin is bepaald dat het dagloon voor de berekening van de WAZO-uitkering wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen in de ZW, terecht, na toepassing van de geldende indexatie, vastgesteld op € 128,21. Het is weliswaar in het nadeel van appellante dat de werkzaamheden bij [werkgever 2] niet meetellen, echter het is niet aan de rechter de innerlijke waarde der wet te beoordelen, aldus de rechtbank.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante zich, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 14 mei 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI4685) en 23 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4324), op het standpunt gesteld dat door het niet (ook) betrekken van het loon uit de parttime dienstbetrekking bij [werkgever 2] van 24 uur per week bij de dagloonvaststelling in haar geval tot een resultaat leidt dat geen weerspiegeling is van haar welvaartsniveau. Door geen rekening te houden met beide dienstverbanden wordt volgens appellante op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de ZW.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen bepaalden ten tijde van de in deze zaak in geschil zijnde periode – vóór 1 juli 2015 – als volgt.
4.1.1.
Artikel 15, eerste lid, van de ZW bepaalt dat voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij door ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid. Het tweede lid bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. Deze algemene maatregel van bestuur is het Dagloonbesluit.
4.1.2.
Artikel 3, eerste lid, van het Dagloonbesluit bepaalt dat onder loon wordt verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv, genoten in het refertejaar uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden”.
4.1.3.
Artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit bepaalt dat het dagloon voor uitkeringen op grond van de ZW de uitkomst is van de volgende berekening:
[(A – B) x 108/100 + C] / D, waarbij D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden is aangevangen na aanvang van het refertejaar, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar.
4.1.4.
Artikel 3:13, tweede lid van de WAZO bepaalt dat het dagloon voor de werknemer wordt vastgesteld en herzien overeenkomstig de vaststelling en herziening op grond van de artikelen 15 en 16 van de ZW en de daarop berustende bepalingen.
4.2.
Niet in geschil is dat het refertejaar voor de vaststelling van zowel het ZW-dagloon als het WAZO-dagloon loopt van 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2014.
ZW-dagloon
4.3.
Op grond van artikel 15, eerste lid van de ZW dient voor de dagloonberekening slechts het loon in de dienstbetrekking waaruit appellante ziek is geworden gehanteerd te worden. In appellantes geval is dat uitsluitend het bij [werkgever 1] genoten loon. Ook het Dagloonbesluit biedt geen mogelijkheid voor een vaststelling van het dagloon op een manier als door appellante bepleit. Slechts het loon uit de dienstbetrekking waaruit appellante ziek is geworden wordt op grond van artikel 3, eerste lid, en artikel 5 eerste lid, van het Dagloonbesluit gehanteerd voor de berekening van het ZW-dagloon. Dat is het loon dat appellant bij [werkgever 1] heeft genoten.
4.4.
De in 3.1 genoemde uitspraken uit 2009 en 2012 waaraan appellante refereert zien niet op soortgelijke situaties als de situatie van appellante. Beide uitspraken hebben betrekking op het (oude) Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, en niet op het – per 1 juni 2013 in werking getreden – Dagloonbesluit. Daarbij ging het in de uitspraak van 23 november 2012 om zogenoemd negatief loon als gevolg van een vóór de referteperiode door het Uwv gemaakte fout bij de betaling van de aan betrokkene toekomende ZW-uitkering. De Raad oordeelde dat door dit negatieve loon in de dagloonvaststelling te betrekken op onaanvaardbare wijze afbreuk is gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de ZW en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau. Van negatief loon is bij appellante echter geen sprake.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak
wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) N. van Rooijen
NW