Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-04-13
ECLI:NL:CRVB:2017:1419
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,297 tokens
Inleiding
16/1370 AW, 16/1563 AW
Datum uitspraak: 13 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
26 januari 2016, 14/3914 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de korpschef van politie (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft op 2 maart 2016 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.
Namens betrokkene heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, een verweerschrift ingediend en een zienswijze gegeven op het nader besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2017. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. de Kruijf-Stellaard en R.M.M. Paulssen. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh.
Overwegingen
1.1.
Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).
1.2.
Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft appellant de uitgangspositie van betrokkene voor zijn toekomstige functie in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) vastgesteld op [functie 1] .
1.3.
Op 24 februari 2012 heeft appellant besloten het besluit uitgangspositie niet aan te vullen met taakaccenten.
1.4.
Bij besluit van 6 november 2012 heeft appellant het besluit van 24 februari 2012 ingetrokken en de uitgangspositie van betrokkene aangevuld met het taakaccent “onderhandelaar”.
1.5.
Bij besluit van 24 januari 2013 heeft appellant betrokkene met ingang van 1 september 2012 benoemd in de functie van [functie 2] . Betrokkene heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.
1.6.
Op 16 december 2013 heeft appellant ten aanzien van betrokkene per de peildatum
31 december 2011 besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie [functie 4], met als specifieke werkzaamheden “onderhandelaar”. Tevens is een wijzigingsbesluit LFNP (wijzigingsbesluit) genomen, inhoudende dat de door betrokkene per 1 september 2012 uitgeoefende functie van [functie 2] conform de transponeringstabel met ingang van die datum wordt gewijzigd in de functie van [functie 3] . Het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2013 is bij besluit van 6 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, het volgende overwogen. Appellant heeft ten onrechte aangenomen dat de transponeringstabel een algemeen verbindend voorschrift is. Het bestreden besluit is in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd. Dit motiveringsgebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd. Verder heeft appellant miskend dat hij bij besluit van 6 november 2012 met ingang van 1 september 2012 de uitgangspositie van betrokkene heeft aangevuld met het taakaccent “onderhandelaar”. Appellant heeft hiermee bij de bepaling van de match geen rekening gehouden. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. Bij het nader besluit heeft appellant het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. De Raad zal het nader besluit op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrekken.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Niet in geschil is dat appellant de transponeringstabel (TPT) ten onrechte heeft gekwalificeerd als algemeen verbindend voorschrift. Met appellant, en anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat dit nog niet maakt dat het bestreden besluit een voldoende motivering ontbeert. Verwezen wordt naar de uitspraak van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4804.
5.2.
Ook is de Raad met appellant, en anders dan de rechtbank, van oordeel dat het bij besluit van 6 november 2012 vastgestelde taakaccent “onderhandelaar” geen aanvulling betreft op de door betrokkene per 1 september 2012 uitgeoefende functie, maar een aanvulling op de uitgangspositie per 31 december 2011. Het besluit van 6 november 2012 betreft immers een wijziging van het besluit van 24 februari 2012, waarbij is besloten over de aanvulling op de uitgangspositie per 31 december 2011. De Raad volgt betrokkene niet in zijn standpunt dat hij ook na 1 september 2012 het taakaccent heeft behouden, omdat taakaccenten zijn gekoppeld aan een persoon en niet aan een functie. Taakaccenten geven bijzondere of specifieke werkzaamheden weer in aanvulling op de functiebeschrijving. Verwezen wordt naar de uitspraak van 23 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1309. Betrokkene heeft in dit verband gesteld dat een collega in een gelijke situatie wel de eerder vastgestelde taakaccenten heeft behouden, maar appellant heeft ter zitting voldoende onderbouwd dat geen sprake is van gelijke gevallen. Ten slotte slaagt niet het betoog van betrokkene dat hem een rechtsgang wordt ontnomen. Betrokkene had immers bezwaar kunnen maken tegen het benoemingsbesluit van 24 januari 2013.
5.3.1.
Uit 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep slaagt.
5.3.2.
Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit beoordelen in het licht van de daartegen in beroep aangedragen gronden.
5.4.1.
De Raad heeft eerder geoordeeld (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:260) dat appellant de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) en de TPT analoog heeft mogen toepassen op aanstellingen of wijzigingen in een korpsfunctie vanaf 1 januari 2012. De gronden van betrokkene richten zich niet tegen de analoge toepassing.
5.4.2.
In zijn onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft de Raad geoordeeld dat aan de TPT een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht en dat de korpschef bij het nemen van besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie in beginsel mag volstaan met een verwijzing naar de TPT. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten.
5.4.3.
Wat appellant aanvoert komt erop neer dat bij het bepalen van de match in het wijzigingsbesluit rekening had moeten worden gehouden met zijn neventaak als onderhandelaar. Zoals in meergenoemde uitspraken van 1 juni 2015 is overwogen, is het uitgangspunt bij de matching niet de feitelijke werkzaamheden en verantwoordelijkheden, maar de formele functiebeschrijving geweest. In het geval van betrokkene wordt als uitgangspunt bij de matching genomen de korpsfunctie waarin betrokkene bij besluit van 24 januari 2013 is benoemd. In dit benoemingsbesluit is niet de taak van onderhandelaar opgenomen. Indien betrokkene zich niet kon vinden in de beschrijving van zijn taken en werkzaamheden, dan had het op zijn weg gelegen om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het benoemingsbesluit. Nu betrokkene dat niet heeft gedaan, staat het uitgangspunt voor de matching in rechte vast. Betrokkene kan zich in deze procedure niet meer beroepen op feiten of omstandigheden die hij reeds in het kader van het benoemingsbesluit naar voren had kunnen brengen.
5.4.4.
Het betoog van betrokkene dat in zijn geval de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling had moeten worden toegepast, slaagt evenmin. Appellant heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door betrokkene naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie in de zin van deze bepaling.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2014 ongegrond;
- vernietigt het besluit van 2 maart 2016.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2017.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) L.L. van den IJssel
IJ