Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-03-14
ECLI:NL:CRVB:2017:1025
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,662 tokens
Inleiding
16/659 PW, 16/2640 PW, 16/2641 PW
Datum uitspraak: 14 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van
15 december 2015, 15/5022 (aangevallen uitspraak 1) en 17 maart 2016, 15/9513 en 15/9512 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[Appellanten] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M. Schuurman.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten hebben op 30 november 2014 bijzondere bijstand aangevraagd voor inrichtingskosten op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Bij besluit van 3 februari 2015 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de kosten uit eigen middelen kunnen voldoen, hetzij door reservering vooraf dan wel door gespreide betaling achteraf.
1.3.
Op 28 februari 2015 hebben appellanten bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van rechtshulp en op 16 maart 2015 hebben zij een individuele inkomenstoeslag voor 2015 aangevraagd.
1.4.
Bij besluiten van 19 mei 2015 respectievelijk 11 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij afzonderlijke besluiten van 16 november 2015 (bestreden besluiten 2 en 3), heeft het college de aanvragen afgewezen. Aan de afwijzing van de aanvraag voor de kosten van rechtshulp heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten vóór de aanvraag zijn opgekomen. Aan de afwijzing van de aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft over hun netto maandelijkse inkomen uit arbeid in de referteperiode, als gevolg waarvan het recht op individuele inkomenstoeslag niet is vast te stellen.
2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.
3.1.
Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Ten aanzien van de inrichtingskosten hebben appellanten, samengevat, aangevoerd dat het college geen juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 35 van de PW en beleidsregel 2, eerste, vierde en negende lid van de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Leidschendam-Voorburg 2015 (Beleidsregels). Subsidiair zijn appellanten van mening dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan moet worden afgeweken van de Beleidsregels.
3.2.
Ten aanzien van de kosten van rechtshulp hebben appellanten, samengevat, aangevoerd dat zij pas op het moment dat zij de nota van de rechtsbijstandverlener ontvangen, de eigen bijdrage verschuldigd zijn. De Beleidsregels (met name artikel 2, negende lid) gaan voorts een redelijke beleidsbepaling te buiten.
3.3.
Ten aanzien van de individuele inkomenstoeslag hebben appellanten, samengevat, aangevoerd dat zij langdurig beschikken over een laag inkomen waarbij geen uitzicht is op inkomensverbetering. De Verordening individuele inkomenstoeslag Leidschendam-Voorburg 2015 is onjuist toegepast en onverbindend omdat geen mogelijkheid bestaat om in individuele gevallen hiervan af te wijken, terwijl dat in onderhavige situatie had gemoeten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Op dit punt heeft het bijstandsverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid.
De inrichtingskosten
4.2.1.
Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1601) en de Beleidsregels volgt dat inrichtingskosten tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten worden gerekend. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
4.2.2.
In wat appellanten hebben aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen zoals in 4.2.1 wordt bedoeld. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij geen inkomen op bijstandsniveau ontvingen. De stelling dat zij vanwege schulden niet konden reserveren slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van
7 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV8173) kunnen het ontbreken van reserveringsruimte vanwege schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die in het individuele geval bijstandsverlening rechtvaardigt. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de bijstand. Bij gebreke van bijzondere omstandigheden bestaat ook geen reden af te wijken van het beleid van het college. Nog daargelaten dat besluit 1 voldoende is gemotiveerd, volgt deze motivering eveneens uit bestreden besluit 1.
De kosten van rechtshulp
4.3.1.
Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de Wet werk en bijstand (WWB) (uitspraak van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:BA6875), welke rechtspraak haar gelding heeft behouden na de inwerkingtreding van de PW, vloeit uit
artikel 43, eerste lid, van de WWB voort dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
4.3.2.
Zoals volgt uit de uitspraken van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2714 en ECLI:NL:CRVB:2016:2715, komen de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand op de dag dat de rechtsbijstandverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand tot verlening van de aangevraagde toevoeging heeft ontvangen. Appellanten hebben op 28 februari 2015 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ten behoeve van kosten van rechtshulp. Bij besluit van 1 januari 2015 (verzenddatum) heeft de Raad voor rechtsbijstand de eigen bijdrage vastgesteld op € 143,- en de verschuldigde griffierechten op € 45,-. Ervan uitgaande dat de gemachtigde van appellanten enige dagen daarna dit besluit heeft ontvangen hadden appellanten uiterlijk op dat moment hun aanvraag moeten indienen. De rechtbank heeft dan ook met het college terecht geoordeeld dat de kosten zijn opgekomen voorafgaand aan de aanvraag zodat de aanvraag terecht is afgewezen. In beroep hebben appellanten aangevoerd dat zij de Nederlandse taal niet beheersen en dat zij kampen met forse gezondheidsproblemen. Deze omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.
4.3.3.
Het beroep van appellanten op artikel 2, negende lid, van de Beleidsregels, dat kort gezegd inhoudt dat bijzondere bijstand wordt toegekend met terugwerkende kracht tot maximaal dertig dagen, slaagt evenmin. Het betreft buitenwettelijk begunstigend beleid.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2017.
(getekend) M. Hillen
(getekend) M.S. Spek
HD
Inleiding
16/659 PW, 16/2640 PW, 16/2641 PW
Datum uitspraak: 14 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van
15 december 2015, 15/5022 (aangevallen uitspraak 1) en 17 maart 2016, 15/9513 en 15/9512 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[Appellanten] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M. Schuurman.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten hebben op 30 november 2014 bijzondere bijstand aangevraagd voor inrichtingskosten op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Bij besluit van 3 februari 2015 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de kosten uit eigen middelen kunnen voldoen, hetzij door reservering vooraf dan wel door gespreide betaling achteraf.
1.3.
Op 28 februari 2015 hebben appellanten bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van rechtshulp en op 16 maart 2015 hebben zij een individuele inkomenstoeslag voor 2015 aangevraagd.
1.4.
Bij besluiten van 19 mei 2015 respectievelijk 11 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij afzonderlijke besluiten van 16 november 2015 (bestreden besluiten 2 en 3), heeft het college de aanvragen afgewezen. Aan de afwijzing van de aanvraag voor de kosten van rechtshulp heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten vóór de aanvraag zijn opgekomen. Aan de afwijzing van de aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft over hun netto maandelijkse inkomen uit arbeid in de referteperiode, als gevolg waarvan het recht op individuele inkomenstoeslag niet is vast te stellen.
2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.
3.1.
Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Ten aanzien van de inrichtingskosten hebben appellanten, samengevat, aangevoerd dat het college geen juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 35 van de PW en beleidsregel 2, eerste, vierde en negende lid van de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Leidschendam-Voorburg 2015 (Beleidsregels). Subsidiair zijn appellanten van mening dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan moet worden afgeweken van de Beleidsregels.
3.2.
Ten aanzien van de kosten van rechtshulp hebben appellanten, samengevat, aangevoerd dat zij pas op het moment dat zij de nota van de rechtsbijstandverlener ontvangen, de eigen bijdrage verschuldigd zijn. De Beleidsregels (met name artikel 2, negende lid) gaan voorts een redelijke beleidsbepaling te buiten.
3.3.
Ten aanzien van de individuele inkomenstoeslag hebben appellanten, samengevat, aangevoerd dat zij langdurig beschikken over een laag inkomen waarbij geen uitzicht is op inkomensverbetering. De Verordening individuele inkomenstoeslag Leidschendam-Voorburg 2015 is onjuist toegepast en onverbindend omdat geen mogelijkheid bestaat om in individuele gevallen hiervan af te wijken, terwijl dat in onderhavige situatie had gemoeten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Op dit punt heeft het bijstandsverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid.
De inrichtingskosten
4.2.1.
Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1601) en de Beleidsregels volgt dat inrichtingskosten tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten worden gerekend. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
4.2.2.
In wat appellanten hebben aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen zoals in 4.2.1 wordt bedoeld. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij geen inkomen op bijstandsniveau ontvingen. De stelling dat zij vanwege schulden niet konden reserveren slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van
7 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV8173) kunnen het ontbreken van reserveringsruimte vanwege schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die in het individuele geval bijstandsverlening rechtvaardigt. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de bijstand. Bij gebreke van bijzondere omstandigheden bestaat ook geen reden af te wijken van het beleid van het college. Nog daargelaten dat besluit 1 voldoende is gemotiveerd, volgt deze motivering eveneens uit bestreden besluit 1.
De kosten van rechtshulp
4.3.1.
Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de Wet werk en bijstand (WWB) (uitspraak van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:BA6875), welke rechtspraak haar gelding heeft behouden na de inwerkingtreding van de PW, vloeit uit
artikel 43, eerste lid, van de WWB voort dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
4.3.2.
Zoals volgt uit de uitspraken van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2714 en ECLI:NL:CRVB:2016:2715, komen de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand op de dag dat de rechtsbijstandverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand tot verlening van de aangevraagde toevoeging heeft ontvangen. Appellanten hebben op 28 februari 2015 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ten behoeve van kosten van rechtshulp. Bij besluit van 1 januari 2015 (verzenddatum) heeft de Raad voor rechtsbijstand de eigen bijdrage vastgesteld op € 143,- en de verschuldigde griffierechten op € 45,-. Ervan uitgaande dat de gemachtigde van appellanten enige dagen daarna dit besluit heeft ontvangen hadden appellanten uiterlijk op dat moment hun aanvraag moeten indienen. De rechtbank heeft dan ook met het college terecht geoordeeld dat de kosten zijn opgekomen voorafgaand aan de aanvraag zodat de aanvraag terecht is afgewezen. In beroep hebben appellanten aangevoerd dat zij de Nederlandse taal niet beheersen en dat zij kampen met forse gezondheidsproblemen. Deze omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.
4.3.3.
Het beroep van appellanten op artikel 2, negende lid, van de Beleidsregels, dat kort gezegd inhoudt dat bijzondere bijstand wordt toegekend met terugwerkende kracht tot maximaal dertig dagen, slaagt evenmin. Het betreft buitenwettelijk begunstigend beleid.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2017.
(getekend) M. Hillen
(getekend) M.S. Spek
HD