Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-11-11
ECLI:NL:CRVB:2016:4301
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
752 tokens
Inleiding
13/6580 WIA
Datum uitspraak: 11 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2013, 13/4478 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[Werkgever] te [vestigingsplaats] (werkgever)
Procesverloop
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 10 juni 2016 een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2016:2244.
Op 31 augustus 2016 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Namens appellante heeft mr. A. Kotan op deze nieuwe beslissing gereageerd.
Overwegingen
1.1.
Verwezen wordt naar de tussenuitspraak van 10 juni 2016 voor de feiten waarvan wordt uitgegaan bij de oordeelsvorming. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
1.2.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 31 augustus 2016 aan appellante medegedeeld dat de aan appellante toegekende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op en na 7 juni 2013 ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2.1.
De Raad stelt vast dat met de beslissing op bezwaar van 31 augustus 2016, gelet op de datum in geding, geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen. De Raad is niet gebleken dat appellante nog enig (proces)belang heeft bij een beoordeling door de Raad van de uitspraak van de rechtbank. Dat procesbelang kan niet gelegen zijn in het standpunt van het Uwv dat op een nader te bepalen datum een nieuwe WIA-beoordeling zal plaatsvinden die zal leiden tot een beslissing per toekomende datum. De Raad zal het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
3. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden ingevolge het Besluit proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures (Bpb) begroot op € 1.736,- in hoger beroep.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.736,-;
bepaalt dat het Uwv het aan appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E. Dijt en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
11 november 2016.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) P. Boer
UM