Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-01-29
ECLI:NL:CRVB:2016:383
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,411 tokens
Inleiding
14/5464 WIA
Datum uitspraak: 29 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
20 augustus 2014, 13/1969 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. ir. H.C.H. Ghijsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.
Overwegingen
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als [naam functie] gedurende 36,55 uur per week. Op 23 februari 2007 is hij uitgevallen voor zijn werkzaamheden wegens psychische en lichamelijke klachten na een mishandeling. Het Uwv heeft de aanvraag van appellant om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gedurende 52 weken opgeschort in verband met een aan de werkgever van appellant opgelegde loonsanctie. Bij besluit van 7 mei 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 19 februari 2010 op grond van de Wet WIA recht is ontstaan op een WGA-loongerelateerde uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 83%. Bij besluit van 14 januari 2013 heeft het Uwv aansluitend op de loongerelateerde uitkering met ingang van 19 maart 2013 een
WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend.
1.2.
Appellant heeft zich op 19 december 2012 bij het Uwv gemeld met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor een IVA-uitkering. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 5 april 2013 bepaald dat appellant met ingang van 6 april 2013 voor 55% arbeidsongeschikt wordt beschouwd bij een ongewijzigde hoogte van de loonaanvullingsuitkering. Vanaf 1 mei 2015 gaat een inkomenseis gelden waaraan appellant moet voldoen om de loonaanvullingsuitkering te behouden. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 10 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 61,54%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte tijdens de hoorzitting een herkeuring door de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft plaatsgevonden. Hiervan is appellant niet vooraf op de hoogte gesteld. Als gevolg van deze procedure zijn appellants (overige) bezwaargronden onvoldoende aan bod gekomen. Dit is in strijd met de goede procesorde, het beginsel van “equality of arms” en het “fair trial”-beginsel op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter motivering van dit standpunt heeft appellant verwezen naar het arrest van 29 mei 1986 van Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Feldbrugge (ECLI:NL:XX:1986:ZB0542). In de aan het bestreden besluit mede ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is voorts volgens appellant geen of onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische en lichamelijke toestand. Appellant heeft ernstig hoofdletsel en een hersenbeschadiging opgelopen door de mishandeling, hetgeen tot cognitieve klachten heeft geleid. Dit is niet meegewogen in de besluitvorming die heeft geleid tot het bestreden besluit. Ten onrechte hebben de verzekeringsartsen zich gebaseerd op een brief van 5 maart 2013 van de revalidatiearts van Heliomare, waarvan later door Heliomare is teruggekomen omdat de bevindingen uit de revalidatiebehandeling zich niet zonder meer lenen voor andere doeleinden. Appellant heeft verwezen naar een brief van
20 juni 2013 van de GZ-psycholoog en revalidatiearts van Heliomare, waarin is vermeld dat speciale diagnostiek nodig is met een specifieke vraagstelling. Dergelijk onderzoek is tot op heden niet verricht, om welke reden appellant de Raad verzoekt een deskundige te benoemen. Als gevolg van zijn klachten is appellant in het geheel niet in staat om deel te nemen aan enige vorm van arbeid. Zelfs kan hij zich nauwelijks staande houden in het dagelijks leven, waarin hij is aangewezen op steun van anderen. Er zijn bij hem dan ook geen benutbare mogelijkheden. Appellant is voorts niet in staat de ter bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid door het Uwv geselecteerde functies te vervullen. De belasting van die functies gaat appellants belastbaarheid te boven. Appellant dient daarom in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
Met betrekking tot het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten in bezwaar, wordt met verwijzing naar de uitspraak van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3495) geoordeeld dat door de gewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid als gevolg van een wijziging van de (resterende) verdiencapaciteit in bezwaar ook een verandering in de rechtspositie van appellant is aangebracht. Dit betekent dat er in zoverre sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit ten onrechte heeft geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden.
4.3.
De stelling van appellant, onder verwijzing naar het arrest Feldbrugge, dat het bestreden besluit op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen, slaagt niet. Dit arrest heeft betrekking op de procedurele minimumwaarborgen die gelden voor een rechterlijke procedure. Tussen partijen is niet in geschil dat die procedure aan die waarborgen voldoet. Voor zover appellant in hoger beroep heeft willen klagen over een handelen van het Uwv in strijd met artikel 7:2 van de Awb slaagt zijn grond niet. Appellant is bij brief van 22 augustus 2013 uitgenodigd voor de hoorzitting van 18 september 2013, waarbij hij erop is gewezen dat bij de hoorzitting een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig is die aansluitend medisch onderzoek kan verrichten. Het Uwv heeft er voorts terecht op gewezen dat appellant bekend kon worden verondersteld met de hoorzittingsprocedure, gelet op een eerdere door appellants werkgever gevoerde bezwaarprocedure waarbij appellant als belanghebbende op de hoorzitting is geweest en waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig was. Niet gebleken is dat appellant zijn overige bezwaargronden niet heeft kunnen toelichten.
4.4.
Voor zover de gronden van appellant betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van deze besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals weergegeven in het rapport van 18 september 2013. Dit rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren die betrekking hebben op zowel appellants fysieke als psychische gezondheidstoestand. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben bij hun conclusies alle beschikbare medische informatie betrokken, waaronder de informatie van appellants behandelaars, alsmede de bevindingen van hun eigen onderzoek. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, vormt, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, geen reden om het onderzoek van de verzekeringsartsen als niet zorgvuldig verricht te achten.
4.5.
Appellant beschikt volgens het Uwv over verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Hij wordt echter in staat geacht om licht routinematig werk te doen zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, waarin appellant voorts niet wordt afgeleid door anderen, geen hoog handelingstempo vereist is en slechts beperkt conflicten voorkomen. Appellant wordt ook beperkt geacht voor werk waarin contact met klanten moet worden onderhouden en werk met leidinggevende aspecten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep ongegrond is verklaard tegen het besluit van 10 oktober 2013, voor zover daarbij de vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen;
- verklaart het beroep in zoverre gegrond;
- vernietigt het besluit van 10 oktober 2013, in zoverre;
- herroept het besluit van 5 april 2013 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de
plaats treedt van het besluit van 10 oktober 2013;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van
€ 2.976,-;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
€ 166,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2016.
(getekend) D.J. van der Vos
(getekend) D. van Wijk
GdJ