Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-10-06
ECLI:NL:CRVB:2016:3684
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,507 tokens
Inleiding
15/8272 AW
Datum uitspraak: 6 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen:
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Veiligheid en Justitie (verweerder)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S. van der Giesen, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 november 2015, kenmerk PaG/HR/8445 (bestreden besluit).
Namens verweerder heeft mr. R. van Arkel, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Giesen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R. Snijhorst en mr. M.A. Schneider.
Overwegingen
1.1.
Appellant was werkzaam bij de [naam dienst] en was voor de periode van 1 april 2011 tot 1 april 2012 gedetacheerd bij het Openbaar Ministerie (OM), parket [locatie 1] . Bij besluit van 14 april 2011 heeft verweerder hem voor die periode benoemd tot honorair (onbezoldigd) plaatsvervangend officier van justitie (OvJ).
1.2.
Bij besluit van 12 maart 2012 heeft verweerder appellant per direct ontheven uit zijn functie door de detachering en de opleiding tot OvJ voortijdig te beëindigen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 september 2012 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is de ingangsdatum gewijzigd, in die zin dat sprake is van een beëindiging van rechtswege per 1 april 2012.
1.3.
Bij uitspraak van 12 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1748, heeft de Raad, voor zover hier van belang, het besluit van 26 september 2012 vernietigd, het besluit van 12 maart 2012 herroepen, appellant voor de duur van één jaar benoemd tot plaatsvervangend OvJ en verweerder opgedragen om ter uitvoering van het vorenstaande zo spoedig mogelijk in overleg met appellant een ingangsdatum vast te stellen, een parket aan te wijzen en alle verder noodzakelijke maatregelen te treffen, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 6.3 van die uitspraak is overwogen.
1.4.
Rechtsoverweging 6.3 van de onder 1.3 genoemde uitspraak luidt als volgt:
“Het primaire besluit van 12 maart 2012 zal worden herroepen. De Raad zal appellant op grond van artikel 2, derde lid, van de Wrra voor bepaalde tijd benoemen tot plaatsvervangend OvJ, ter voortzetting van zijn opleiding tot OvJ. Deze bepaalde tijd wordt gesteld op één jaar. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat appellant gedurende zijn eerste opleidingstermijn met drieënhalve maand is tekortgedaan, dat hij normaal gesproken zes maanden verlenging van die termijn zou hebben gekregen en dat hij enige tijd nodig heeft om zich opnieuw in het opleidingstraject in te werken. Verweerder zal de ingangsdatum van de benoeming in overleg met appellant bepalen, welke niet later zal worden gesteld dan op 1 januari 2014. Verweerder zal voorts een parket aanwijzen waar appellant in opleiding wordt genomen, maar niet het parket [locatie 1] of het parket [locatie 2] . Aan de benoeming zullen de gebruikelijke bezoldiging en verdere rechtspositie voor een OvJ in opleiding worden verbonden, zoals nader door verweerder te bepalen.”
1.5.
Bij besluit van 13 januari 2014 heeft verweerder appellant, in verband met voortzetting van de opleiding tot OvJ, benoemd tot (onbezoldigd) plaatsvervangend OvJ bij het parket [locatie 3] , met ingang van 1 januari 2014 voor een periode die eindigt op 1 januari 2015. Bij besluit van 20 januari 2014 heeft verweerder appellant met ingang van 1 januari 2014, voor de duur van een jaar, een tijdelijke aanstelling verleend. In dit besluit is tevens de bezoldiging vastgesteld.
1.6.
Op 24 november 2014 is een beoordeling vastgesteld van het functioneren van appellant gedurende de periode 1 januari 2014 tot 1 december 2014. Voor de functievervulling in haar geheel is in deze beoordeling een score B (onvoldoende) toegekend. Appellant heeft tegen de beoordeling geen rechtsmiddelen aangewend.
1.7.
Tijdens een gesprek op 26 november 2014 is appellant meegedeeld dat geen voortzetting van de opleiding, respectievelijk benoeming tot OvJ zal plaatsvinden. In een e-mailbericht van 11 december 2014 is dit nog eens herhaald. Daarbij is een nog nader uit te werken voorstel geformuleerd tot een kortdurende nieuwe tijdelijke aanstelling met ingang van
1 januari 2015, bedoeld om uit te zien naar ander werk en een aanvraag krachtens de Werkloosheidswet (WW) in te dienen. Verweerder en appellant hebben in de maanden nadien onderhandeld over een tijdelijke aanstelling tot uiterlijk 1 juli 2015 bij het parket
[locatie 4] . Dit heeft uiteindelijk niet tot overeenstemming geleid.
1.8.
Bij besluit van 18 maart 2015 is verweerder, gelet op het van rechtswege eindigen van de per 1 januari 2014 ingegane tijdelijke aanstelling en benoeming en het niet bereiken van een minnelijke oplossing omtrent verlenging, gekomen tot financiële afwikkeling van het dienstverband. Aan appellant is een compensatie toegekend in verband met een opgelegde sanctie vanwege het te laat aanvragen van een WW-uitkering. Het (abusievelijk) nog uitbetaalde salaris over de maand januari 2015 is teruggevorderd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit was gericht tegen het einde van het tijdelijke dienstverband per 1 januari 2015. Volgens verweerder is het bezwaar in zoverre te laat ingediend en ziet het besluit van
18 maart 2015 (enkel) op de financiële afwikkeling van het tijdelijke dienstverband en niet op de beëindiging van rechtswege daarvan per 1 januari 2015. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard, omdat de gronden van dat bezwaar geen betrekking hadden op hetgeen in het besluit van 18 maart 2015 wél is beslist.
2. Het beroep van appellant is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar op het punt van het niet voortzetten van het dienstverband. Volgens appellant had het besluit van 18 maart 2015 wel degelijk mede betrekking op dat niet voortzetten en is daarover geen eerder besluit genomen. Hij heeft gewezen op de onderhandelingen die na 1 januari 2015 nog zijn gevoerd. Inhoudelijk is appellant het met het niet voortzetten van het dienstverband niet eens omdat hij meent dat de onder 1.3 genoemde uitspraak van de Raad van 12 september 2013 ertoe heeft geleid dat hij een vaste aanstelling bij het OM heeft verkregen. Hij heeft er in dat verband op gewezen dat zowel het besluit van 12 maart 2012 als het besluit van
26 september 2012 als gevolg van die uitspraak van tafel is. Voor zover de Raad dit argument niet zou volgen meent appellant dat stilzwijgende verlenging heeft plaatsgevonden, dan wel dat het niet verlengen van het dienstverband in strijd is te achten met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Een voor bepaalde tijd aangegaan tijdelijk dienstverband eindigt na ommekomst van de periode waarop het betrekking heeft van rechtswege. Nadere besluitvorming daartoe is niet nodig. Wel wordt volgens vaste rechtspraak een mededeling dat een tijdelijk dienstverband van rechtswege eindigt, in beginsel, opgevat als een weigering het dienstverband voort te zetten dan wel om te zetten in een vaste aanstelling. Uitsluitend in zoverre is die mededeling dan een besluit gericht op rechtsgevolg.
3.2.
Verweerder kan op zichzelf beschouwd worden gevolgd in zijn standpunt dat appellant voorafgaand aan het besluit van 18 maart 2015, bijvoorbeeld in het e-mailbericht van
11 december 2014, en ook nadien nog in een e-mailbericht van 22 december 2014 en in een hem toegezonden conceptbrief van 19 januari 2015, uitdrukkelijk is gewezen op het (naderend) eindigen van het per 1 januari 2014 krachtens de uitspraak van de Raad van
12 september 2013 tot stand gekomen tijdelijke dienstverband. In die bewuste mededelingen kunnen in dit specifieke geval, anders dan in de situaties waarop de onder 3.1 bedoelde rechtspraak ziet, echter niet tevens weigeringen tot voortzetting of verlenging worden gelezen, nu partijen over dit laatste nog nadrukkelijk in onderhandeling waren. Tot in februari 2015 hebben partijen, tot in details als die van zittingsplanningen en beëdiging aan toe, overleg gevoerd over een kortdurende verlenging van het dienstverband. Er is dan ook niet eerder dan met het besluit van 18 maart 2015 definitief te kennen gegeven dat, nu geen overeenstemming was bereikt, de verlenging van de baan was.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het beroep gegrond voor zover het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2015
niet-ontvankelijk is verklaard en vernietigt het bestreden besluit van 9 november 2015 in
zoverre;
- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2015 ook in zoverre ongegrond en
bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het
bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder appellant het door hem in beroep betaalde griffierecht ten bedrage
van € 167,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant, tot een bedrag van € 992,-.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en H.C.P. Venema en
M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) A.M.C. de Vries
HD