Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-09-01
ECLI:NL:CRVB:2016:3259
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,323 tokens
Inleiding
15/5214 AW, 15/5215 AW
Datum uitspraak: 1 september 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van
16 juni 2015, 14/3262 (aangevallen uitspraak 1) en 15/870 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.
Namens de korpschef heeft mr. M. Dijk verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door drs. E. Ottink. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dijk en J.H. Sjoers.
Overwegingen
1.1.
Appellant was werkzaam in de functie van [functie A] ( [functie A] ) bij het team [naam team 1] binnen de voormalige regiopolitie [regio] , thans de eenheid
[eenheid] . Appellant is per november 2011 overgestapt naar team [naam team 2] .
1.2.
Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op
1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (circulaire) in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782). Eén van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de [functie A] ’ (loopbaanbeleid). Dit loopbaanbeleid is de vastlegging van de binnen de politie gemaakte collectieve afspraken ten aanzien van de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de [functie A] naar een volgend niveau of functie. Voor de doorstroming van [functie A] (schaal 7) naar [functie B] (schaal 8) is in het loopbaanbeleid onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm. In april 2013 zijn nadere uitvoeringsafspraken vastgesteld. De korpschef heeft het loopbaanbeleid alsmede de uitvoeringsafspraken ten grondslag gelegd aan zijn beslissingen op verzoeken om doorstroming (bevordering).
1.3.
Appellant heeft op 1 december 2012 verzocht om bevordering op grond van het loopbaanbeleid. In verband met dit verzoek is het functioneren van appellant over de periode van 1 november 2010 tot en met 31 december 2012 uiteindelijk bij een op 24 april 2014 door het bevoegd gezag vastgestelde beoordeling (beoordeling) gewaardeerd op een ‘voldoende’ (op de norm). Bij besluit van 5 november 2014 (bestreden besluit 1) heeft de korpschef het bezwaar tegen de beoordeling, onder handhaving daarvan, ongegrond verklaard.
1.4.
Na het voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de korpschef het verzoek van appellant om bevordering bij besluit van
13 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 december 2014 (bestreden besluit 2), afgewezen op de grond dat hij niet beschikt over een beoordeling boven de norm en evenmin over een positief advies over de verwachte geschiktheid voor de functie van [functie B] .
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Hieraan is het volgende ten grondslag gelegd. De korpschef heeft de beoordeling onderbouwd met concrete gedragingen van appellant en daarmee voldoende duidelijk gemaakt in welke opzichten het functioneren van appellant in de beoordelingsperiode, in het bijzonder na zijn overgang naar [naam team 2] , zodanig was dat dit niet als goed kon worden aangemerkt. Gelet hierop wordt voldoende aannemelijk geacht dat appellant in [naam team 2] aanvankelijk op de competenties initiatief en samenwerking minder heeft gepresteerd dan men voorheen van hem gewend was. Dat appellant voorheen wel op een hoger niveau functioneerde, maakt dit niet anders nu appellant in zijn functioneren geen doorgaand gedrag heeft vertoond.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2
niet-ontvankelijk verklaard. Overwogen is dat het door appellant tegen bestreden besluit 1 ingediende beroepschrift, gelet op de uitdrukkelijke vermelding in dat beroepschrift dat het zich enkel richt tegen bestreden besluit 1, niet mede gericht is tegen bestreden besluit 2. Eerst bij brief van 16 april 2015, dus buiten de beroepstermijn, heeft appellant aangegeven dat hij wenst op te komen tegen bestreden besluit 2. Niet gebleken is dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De aangevallen uitspraak 1
4.1.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2803) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is dan of elk feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.
4.2.
In het geval van appellant zijn geen negatieve oordelen gegeven, maar is zijn functioneren op alle (sub)onderdelen en over het geheel (ten minste) als voldoende, en dus positief, gewaardeerd, zodat het op de weg van appellant ligt om aannemelijk te maken dat deze beoordeling niet op voldoende gronden berust. Dat de in dit geval voorliggende beoordeling niet goed genoeg is voor bevordering van appellant naar de functie van [functie B] levert geen grond op om de bewijslast in gevallen als deze bij het bestuursorgaan te leggen. Verwezen wordt naar de uitspraak van 30 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2547.
4.3.
Appellant betoogt in de kern dat de beoordeling ten onrechte op een voldoende, dus op de norm is vastgesteld, omdat hij voor en na de beoordelingsperiode boven de norm heeft gefunctioneerd en geen sprake is van een tijdelijke teruggang in zijn functioneren tijdens de beoordelingsperiode. Dit volgt volgens appellant in ieder geval niet uit de werkzaamheden voor het evenement [naam evenement] en zijn onderzoek naar de haalbaarheid van de Kalsbeeknorm; deze initiatieven zijn in het functioneringsgesprek over de periode december 2012 tot 26 augustus 2014 juist als voorbeelden van de competenties samenwerking en initiatief genoemd. Dit betoog slaagt niet. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beoordeling de onder 4.1 genoemde toets doorstaat. De Raad kan zich verenigen met de onder 2.1 weergegeven overwegingen van de rechtbank. Hieraan wordt toegevoegd dat de beoordeling, zoals ter zitting door de korpschef is verklaard, berust op de bevindingen van de voltallige leiding. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gegeven waardering tijdens de beoordelingsperiode hoger had moeten zijn dan voldoende. Nog daargelaten dat een functioneringsgesprek een ander karakter heeft dan een beoordeling, kan niet gezegd worden dat het functioneringsgesprek, dat pas op 26 augustus 2014 is gehouden, een ander licht werpt op het functioneren van appellant in de gehele, onder 1.3 vermelde, beoordelingsperiode.
4.4.
In de gedingstukken vindt de Raad geen concrete aanwijzingen voor appellants standpunt dat in strijd met de Interim Uitvoeringsregeling gesprekkencyclus Politie [regio] (uitvoeringsregeling) informanten categorisch geweigerd zijn. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat de korpschef met de door appellant overgelegde e-mails rekening heeft gehouden voor zover deze van senioren afkomstig zijn. De e-mails zijn voor het overige afkomstig van personen die geen leidinggevende zijn, zodat de korpschef daarmee geen rekening heeft hoeven houden.
4.5.
Appellant heeft voorts aangevoerd dat de korpschef misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt, door tijdens de vlootschouw al te bepalen dat appellant niet geschikt zou worden bevonden en de beoordeling vervolgens naar die conclusie toe te schrijven. Appellant wordt hierin niet gevolgd. De destijds in 2012 gehouden vlootschouw en de daarop per e-mail geboden mogelijkheid om met de teamchef te bespreken of men voor bevordering in aanmerking kwam, heeft volgens de korpschef plaatsgevonden in een periode waarin ten aanzien van de uitvoering van het loopbaanbeleid nog onduidelijkheid bestond en waarin de leiding er nog vanuit ging dat de medewerker onder meer over een excellente/uitstekende beoordeling moest beschikken.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en door J.J.A Kooijman en
M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2016.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) S.W. Munneke
HD