Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-07-14
ECLI:NL:CRVB:2016:2659
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,666 tokens
Inleiding
15/1984 AW e.v. (zie bijlage)
Datum uitspraak: 14 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 februari 2015, 14/3549, 14/3550, 14/3551, 14/3552, 14/3497, 14/3499, 14/3501, 14/3502 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] te [woonplaats 1] en zeven anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (appellanten)
de korpschef van politie (korpschef)
Procesverloop
Namens appellanten [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] heeft mr. K.I. Meijering, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens appellanten [appellant 5] , [appellant 6] , [appellant 7] en [appellant 8] heeft mr. T.A. van Helvoort hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2016, waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellanten [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Meijering. Appellanten [appellant 5] en [appellant 8] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Helvoort, die tevens de niet verschenen appellanten [appellant 6] en [appellant 7] heeft vertegenwoordigd. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. van Dorst en J.J. Seuntiëns.
Overwegingen
1.1.
Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.
1.2.
Appellanten waren ten tijde van belang werkzaam in de functie van Senior Thematische Recherche (schaal 8) bij de politieregio [regio] , in verschillende teams/units.
1.3.
Bij brieven van 21 april 2011 heeft de korpschef aan appellanten het voornemen kenbaar gemaakt om in het kader van de invoering van het LFNP de functie van Senior Thematische Recherche als uitgangspositie te nemen voor het toekennen van een functie uit het LFNP.
1.4.
Appellanten hebben functieonderhoud aangevraagd. Zij zijn van mening dat de werkzaamheden die zij verrichten meer overeenkomen met die uit de functieomschrijving van Expert A (schaal 9).
1.5.
Bij besluiten van 23 oktober 2011 heeft de korpschef de aanvragen om functieonderhoud afgewezen. Bij besluiten van 24 oktober 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellanten ongewijzigd vastgesteld. Deze besluiten heeft de korpschef, na bezwaren van appellanten, bij besluiten van 1 mei 2012 gehandhaafd.
1.6.
Bij twee uitspraken van 16 april 2013, 12/2780, 12/2781, 12/2782 en 12/2784 en 12/2850, 12/2851, 12/2852 en 12/2853, heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 1 mei 2012 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat hun werkzaamheden wezenlijk afwijken van de functie Senior Thematische Recherche.
1.7.
Bij besluiten van 28 april 2014 (bestreden besluiten), ter uitvoering van voormelde uitspraken, heeft de korpschef de aanvragen van appellanten om functieonderhoud toegewezen, de functiebeschrijving van Digitaal Rechercheur vastgesteld en deze functie aangewezen als uitgangspositie van appellanten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen sprake is van een dusdanig onderzoeksgebrek dat de bestreden besluiten om die reden geen stand kunnen houden. De rechtbank is van oordeel dat de functiebeschrijving van Digitaal Rechercheur geen onjuiste weergave vormt van de werkzaamheden van appellanten. Nu geen sprake is van wezenlijke afwijkingen heeft de korpschef terecht geen aanleiding gevonden de functiebeschrijving nader aan te passen.
3. Appellanten hebben in hoger beroep betoogd dat de korpschef de bestreden besluiten in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onzorgvuldig heeft voorbereid, nu zij na het gevoerde overleg over het concept van de nieuwe functiebeschrijving niet in staat zijn gesteld te reageren op de naar aanleiding van dat overleg aangepaste functiebeschrijving, maar de functiebeschrijving zonder nader overleg is vastgesteld. Inhoudelijk hebben zij betoogd dat in drie opzichten de werkzaamheden die zij verrichten niet adequaat zijn verwoord in de nieuwe functiebeschrijving. Door de verwijzingen naar het opsporingsonderzoek en het proces-verbaal komt onvoldoende tot uitdrukking dat appellanten in het geheel geen onderdeel uitmaken van het opsporingsonderzoek en dat zij geen rol hebben in het proces-verbaal dat op dat onderzoek betrekking heeft; ook is ten onrechte de term “expertise” vervangen door “deskundigheid”. Bovendien hebben appellanten verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid. Veeleer is sprake geweest van een uitgebreide en zorgvuldige voorbereidingsprocedure. Naar aanleiding van de in 1.6 genoemde uitspraken van de rechtbank van 16 april 2013 inzake de afwijzing van de verzoeken om functieonderhoud, heeft de korpschef een concept-functiebeschrijving van Digitaal Rechercheur opgesteld die is voorgelegd aan appellanten. Daarop hebben appellanten een aangepaste functiebeschrijving opgesteld. Op 15 januari 2014 heeft overleg plaatsgevonden tussen een afvaardiging van appellanten en vertegenwoordigers van de korpschef om te toetsen of de door appellanten omschreven werkzaamheden feitelijk worden verricht. Naar aanleiding van dit overleg heeft de korpschef de functiebeschrijving op vrijwel alle namens appellanten aangedragen punten aangepast en de bestreden besluiten genomen, zonder nogmaals te overleggen met appellanten. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de korpschef met het achterwege laten van verder overleg in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld.
4.2.
Vervolgens staat de Raad voor de vraag of in de aangepaste functiebeschrijving de verantwoordelijkheden die behoren bij de feitelijk aan appellanten opgedragen werkzaamheden adequaat tot uitdrukking zijn gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat dit het geval is. Met de passages waar appellanten zich niet in herkennen wordt ook naar het oordeel van de Raad niet ten onrechte tot uitdrukking gebracht dat appellanten vanuit hun eigen expertise een bijdrage leveren aan opsporingsonderzoeken. Dat de korpschef gekozen heeft voor het gebruiken van de term ‘deskundigheid’ in plaats van ‘expertise’, zoals door appellanten bepleit, maakt niet dat de beschrijving van de werkzaamheden niet adequaat is, zeker niet nu de korpschef heeft erkend dat het hier om synoniemen gaat.
4.3.
Uit wat in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat de hoger beroepen geen doel treffen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding van appellanten wegens schending van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM overweegt de Raad het volgende.
5.1.
Of die redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maateregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.
5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen.
5.3.
In een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechter, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend (uitspraak van 15 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep:
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de korpschef tot betaling aan betrokkenen van een vergoeding van schade tot
een bedrag van € 1.000,- per appellant;
- bepaalt dat de korpschef aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 248,-.vergoedt;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 186,- per
appellant.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en
M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2016.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) S.W. Munneke
JL
Lijst van appellanten:
Procedurenummers appellanten:
1. AW: [appellant 1] te [woonplaats 1]
2. 15/1985 AW: [appellant 2] te [woonplaats 2]
3. 15/1986 AW: [appellant 3] te [woonplaats 3]
4. 15/1987 AW: [appellant 4] te [woonplaats 4]
5. 15/2422 AW: [appellant 5] te [woonplaats 5]
6. 15/2423 AW: [appellant 6] te [woonplaats 6]
7. 15/2424 AW: [appellant 7] te [woonplaats 7]
8. 15/2425 AW: [appellant 8] te [woonplaats 8]