Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-05-18
ECLI:NL:CRVB:2016:2475
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,309 tokens
Inleiding
15/3369 WSF
Datum uitspraak: 18 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
3 april 2015, 14/4221 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J.G. Plet, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Plet. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. E.H.A. van den Berg.
Overwegingen
1.1.1.
Appellant stond vanaf 11 augustus 2011 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) onder het adres [adres 1]
. Onder dit adres staan tevens ingeschreven appellants broer en zijn vrouw, die de hoofdbewoners zijn, en hun twee kinderen.
1.1.2.
De minister heeft, voor zover hier van belang, voor de jaren 2012 en 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
1.2.1.
Op 17 december 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de gba was ingeschreven om te controleren of hij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoonster opgenomen. Van het onderzoek is op 7 januari 2014 een rapport opgemaakt. Bij het rapport is de verklaring van de hoofdbewoonster gevoegd.
1.2.2.
De hoofdbewoonster heeft tegenover de controleurs verklaard dat appellant twee à drie keer per week op het gba-adres overnacht. Als appellant op het gba-adres slaapt, dan slaapt hij in de kamer van haar zoon. De zoon slaapt dan bij haar en haar man. In het rapport dat de controleurs naar aanleiding van het huisbezoek hebben opgesteld, staat dat in de kamer van de zoon een kinderbed in de uitvoering van een raceauto, een kast gevuld met uitsluitend kinderkleding, een kindertafeltje met een stoeltje en op de grond een hoeveelheid kinderspeelgoed is aangetroffen. De controleurs hebben vermeld dat in die kamer niets is aangetroffen dat aantoonbaar van appellant is. Voorts heeft de hoofdbewoonster verklaard dat appellant op zolder studeert. In het rapport is vermeld dat de controleurs op zolder een bureau hebben aangetroffen met daarop een aantal documenten. Deze documenten waren, naar de controleurs hebben vermeld, van de hoofdbewoners. Voorts heeft de hoofdbewoonster in een kast op zolder enkele studieboeken aangewezen die volgens haar van appellant zouden kunnen zijn. Deze studieboeken waren volgens de controleurs echter allemaal bedoeld voor een andere studie dan de studie die appellant volgt. Volgens de hoofdbewoonster lagen er verder geen spullen van appellant op zolder. Voorts heeft de hoofdbewoonster de controleurs te kennen gegeven dat appellants kleding in een kast in haar slaapkamer tussen de kleding van haar man ligt. Ook appellants ondergoed ligt tussen het ondergoed van haar man, aldus de hoofdbewoonster. Volgens de hoofdbewoonster lagen er verder geen spullen van appellant op het gba-adres. Ten slotte is in het rapport opgenomen dat de controleurs voorafgaande aan het huisbezoek eveneens hebben gesproken met een buurvrouw van de hoofdbewoners, woonachtig op [adres 2] . De buurvrouw heeft de controleurs verteld dat op nummer 121 een echtpaar woont met twee kleine kinderen. Volgens de buurvrouw woont er verder niemand op nummer 121.
1.3.
De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van de verklaring en het rapport, zoals weergegeven onder 1.2.2, bij besluit van 18 januari 2014 de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2012 herzien, in die zin dat appellant vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellant over de periode van januari 2012 tot en met december 2013 te veel betaalde bedrag van € 4.626,48 is daarbij van hem teruggevorderd.
1.4.
De minister heeft het tegen het besluit van 18 januari 2014 gemaakte bezwaar bij besluit van 23 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister zich op grond van de bevindingen in het rapport van 7 januari 2014 op het standpunt stellen dat appellant op het moment van de controle niet op het gba-adres woonde. Hierbij heeft de rechtbank van doorslaggevende betekenis geacht dat appellant volgens de verklaring van de hoofdbewoonster slechts twee à drie nachten per week op het gba-adres zou slapen, hetgeen niet duidt op een structureel verblijf van appellant op dat adres, in combinatie met het feit dat de kamer waarin appellant zou slapen volledig was ingericht als een kinderkamer en daarin geen persoonlijke spullen van appellant werden aangetroffen. Het betoog van appellant dat aan de verklaring van de hoofdbewoonster geen waarde kan worden gehecht in verband met haar psychische problematiek en medicijngebruik faalt naar het oordeel van de rechtbank. Uit de in beroep overgelegde verklaringen van Delta psychiatrisch centrum en PsyQ heeft de rechtbank niet afgeleid dat de mentale gesteldheid van de hoofdbewoonster ten tijde van de controle zodanig slecht was dat aan de inhoud van de door haar afgelegde verklaring moet worden getwijfeld. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer nu haar verklaring overeenkomt met de aangetroffen feitelijke situatie. Gelet hierop heeft de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gezien om een uitzondering te maken op het, in vaste rechtspraak neergelegde uitgangspunt, dat iemand kan worden gehouden aan zijn eerste afgelegde verklaring. Aan de nadere door de hoofdbewoonster ter zitting afgelegde verklaring, waarin zij haar eerdere verklaring heeft ingetrokken, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet die waarde worden gehecht die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, kan volgens de rechtbank niet afdoen aan de bevindingen in het rapport van 7 januari 2014. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat een groot deel van appellants studieboeken digitaal wordt aangeboden en appellant zijn studiespullen op het moment van de controle bij zich had, niet rechtvaardigt dat er helemaal geen studiegerelateerd materiaal van appellant op het gba-adres is aangetroffen. Het betoog van appellant dat de controleurs ten onrechte niet in de badkamer hebben gekeken, faalt naar het oordeel van de rechtbank eveneens. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de hoofdbewoonster aan de controleurs te kennen heeft gegeven dat in de andere kamers van het gba-adres geen spullen van appellant lagen.
3. Appellant heeft in hoger beroep - evenals hij in beroep heeft gedaan - aangevoerd dat geen waarde kan worden gehecht aan de verklaring van de hoofdbewoonster. Volgens appellant kan niet worden uitgesloten dat de psychische problematiek en het medicijngebruik van de hoofdbewoonster van invloed zijn geweest op de door haar afgelegde verklaring. Voorts heeft de hoofdbewoonster ter zitting van de rechtbank haar eerdere verklaring ingetrokken. Zij heeft daarbij verklaard dat appellant op het moment van de controle wel op het gba-adres woonde. Volgens de hoofdbewoonster had zij haar eerdere verklaring enkel ondertekend omdat de controleurs haar hadden voorgehouden dat, indien zij de verklaring niet zou ondertekenen, een fraudezaak zou volgen. Ook heeft appellant aangevoerd dat geen waarde kan worden gehecht aan de verklaring van de buurvrouw woonachtig op [adres 2] .
Deze verklaring is niet bij het rapport gevoegd. Appellant is daarom niet in staat deze verklaring te verifiëren. Evenmin is appellant in staat daartegen adequaat verweer te voeren. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat uit de omstandigheid dat op het moment van de controle geen studiematerialen van hem op het gba-adres lagen, niet kan worden geconcludeerd dat hij daar niet woonde. Een aanzienlijk deel van het studiemateriaal is slechts digitaal voorhanden. Ook het lesrooster en de studiegids zijn digitaal voorhanden. Voorts heeft appellant geen schriften en schrijfgerei nodig. Appellant gebruikt zijn laptop om aantekeningen te maken.
4. De Raad oordeelt als volgt.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) R.G. van den Berg
MO