Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-06-14
ECLI:NL:CRVB:2016:2172
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,265 tokens
Inleiding
15/726 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
19 december 2014, 14/5655 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Mr. M.L. Dragtenstein, advocaat, heeft zich als gemachtigde van appellant gesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dragtenstein. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 19 september 2008, 14 januari 2010 en 17 januari 2011 heeft appellant bij het college aanvragen ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Bij besluiten van onderscheidenlijk 18 november 2008, 3 maart 2010 en 17 maart 2011 heeft het college deze aanvragen met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet, niet tijdig of niet volledig heeft voldaan aan het verzoek om nog ontbrekende gegevens aan te leveren.
1.2.
Op 26 september 2011 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand bij het college ingediend. Bij brief van 26 september 2011 heeft het college appellant verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken. Naar aanleiding van een vervolgens met appellant gemaakte telefonische afspraak, heeft het college appellant bij brief van 17 oktober 2011 verzocht om op 27 oktober 2011 op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) te verschijnen en een aantal nog ontbrekende gegevens aan te leveren. Bij besluit van 27 oktober 2011 heeft het college de aanvraag van appellant van 26 september 2011 met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet, niet tijdig of niet volledig aan het in de brief van
17 oktober 2011 gedane verzoek heeft voldaan. Tegen het besluit van 27 oktober 2011 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Bij besluit van 9 februari 2012 heeft het college een aanvraag om bijstand van appellant van 30 december 2011 wederom met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Ook aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet, niet tijdig of niet volledig heeft voldaan aan het verzoek om nog ontbrekende gegevens aan te leveren.
1.4.
Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van appellant heeft het college bij besluit van 14 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juli 2012, appellant met ingang van 13 januari 2012 bijstand toegekend op grond van de WWB, naar de norm voor een alleenstaande. Bij het herziene besluit op bezwaar van 17 mei 2013 heeft het college, op basis van een in beroep bij de rechtbank tot stand gekomen schikking, de ingangsdatum voor de aan appellant toegekende bijstand gewijzigd in 29 november 2011. Bij de schikking was overeengekomen dat geen wettelijke rente werd betaald.
1.5.
Bij brief van 14 november 2013 heeft appellant het college verzocht om vergoeding van de materiële schade, door appellant begroot op een bedrag van € 60.000,-, die hij stelt geleden te hebben door de gedwongen verkoop van zijn woning in december 2011.
1.6.
Bij besluit van 19 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellant afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van appellant is gebaseerd op beweerdelijk geleden schade als gevolg van het handelen voorafgaande aan het nemen van het besluit van 27 oktober 2011. Aangezien het beweerdelijk schadeveroorzakend besluit appellabel is, is de afwijzing van het verzoek om vergoeding van schade als gevolg van dat besluit ook appellabel. Nu vaststaat dat appellant niet in rechte is opgekomen tegen het besluit van 27 oktober 2011, moet, aldus de rechtbank, worden uitgegaan van de rechtmatigheid van dat besluit en van het handelen van het college dat daaraan vooraf is gegaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank heeft geoordeeld dat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij kan zich niet verenigen met het onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Appellant voert in dat verband, evenals in beroep, aan dat hij op
26 september 2011 een WWB-aanvraag heeft ingediend, zoals ook uit het door hem ingediende aanvraagformulier blijkt, en dat hij deze aanvraag abusievelijk bij het verkeerde loket heeft ingediend, namelijk bij het Team Zelfstandigen van de DWI. Het college heeft appellant ten onrechte niet gewezen op het feit dat hij zijn WWB-aanvraag bij een andere afdeling van de DWI moest indienen, noch heeft het college appellant doorverwezen naar de juiste afdeling van de DWI. Het college heeft de aanvraag vervolgens ten onrechte als een aanvraag op grond van het Bbz 2004 opgevat en in behandeling genomen. Appellant voert verder aan dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen rechtsmiddelen tegen het besluit van 27 oktober 2011 heeft aangewend, aangezien het hem pas op 30 december 2011 duidelijk is geworden dat het college zijn WWB-aanvraag van 26 september 2011 ten onrechte heeft getoetst aan de criteria van het Bbz 2004. Appellant stelt dat hij er daarom gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij zich bij het juiste loket had aangemeld, dat het besluit van 27 oktober 2011 op juiste gronden was genomen en hij een bezwaarprocedure tegen dat besluit kansloos heeft mogen veronderstellen, nu dat besluit in overeenstemming met de feiten was genomen. Volgens appellant heeft het college door zijn handelwijze ten onrechte niet met ingang van 26 september 2011 bijstand op grond van de WWB aan appellant toegekend. Met deze toekenning van bijstand zou appellant de gedwongen verkoop van zijn woning hebben kunnen afwenden. De handelwijze van het college is volgens appellant een onrechtmatige daad die op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang met de artikelen 1 en 2 van het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aan het college kan worden toegerekend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het daarin opgenomen overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.
4.2.
De Raad begrijpt de gronden van appellant aldus dat hij stelt materiële schade te hebben geleden door het besluit van 27 oktober 2011 en het daarmee samenhangende eraan voorafgaande handelen van het college.
4.3.
Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als hier aan de orde zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (uitspraak van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).
4.4.
Het onbetwiste feit dat appellant destijds tegen het besluit van 27 oktober 2011 geen rechtsmiddelen heeft aangewend, betekent volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 april 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8772) dat in beginsel uitgegaan moet worden van de rechtmatigheid van het besluit van 27 oktober 2011.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en G.M.G. Hink en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2016.
(getekend) M. Hillen
(getekend) C. Moustaïne
HD