Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-06-02
ECLI:NL:CRVB:2016:2110
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,463 tokens
Inleiding
15/1925 AW
Datum uitspraak: 2 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
29 januari 2015, 14/4300 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb. 2013, 76), is het college in de plaats getreden van het dagelijks bestuur van het [stadsdeel] (dagelijks bestuur), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van college, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan het dagelijks bestuur.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M. Wijmans.
Overwegingen
1.1.
Appellante was vanaf 2007 werkzaam bij het [stadsdeel] van de gemeente Amsterdam in de functie van Zwemonderwijzer B. Nadat het dagelijks bestuur van het [stadsdeel] had besloten om het systeem van organiek beschreven functies te wijzigen in een systeem waarbij de functies generiek werden beschreven, is aan appellante per 1 augustus 2008 de functietypering Medewerker Dienstverlening B uit het functieboek van [stadsdeel] toegewezen. Vervolgens is appellante na een reorganisatie met ingang van 1 maart 2009 geplaatst in de generieke functie Medewerker Dienstverlening B bij de unit Beheren & Handhaven, afdeling Sport-Zwembad. Op
10 november 2009 heeft het college besloten een gemeentebreed generiek functiegebouw in te voeren met als doel meer standaardisatie en het werken als één gemeente te bevorderen. Met ingang van 1 juni 2013 zijn de oude generieke functietyperingen van [stadsdeel] omgezet in de nieuwe generieke functietyperingen van de gemeente Amsterdam.
1.2.
Na een voornemen daartoe, waarover appellante zowel schriftelijk als mondeling haar zienswijze heeft gegeven en de zienswijzecommissie haar advies heeft gegeven, is appellante bij besluit van 4 november 2013 met ingang van 1 juni 2013 ingepast in de generieke functie van Medewerker Dienstverlening A van de functiefamilie Dienstverlening uit het gemeentebrede functieboek, met salarisschaal 5, waarin appellante ook tot dan toe al was ingedeeld. Bij besluit van 20 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich opnieuw op het standpunt gesteld dat, gelet op haar opleiding, werkervaring en de haar feitelijk opgedragen werkzaamheden, voor de inpassing aansluiting had moeten worden gezocht bij de generieke functie Medewerker Dienstverlening B in plaats van bij de generieke functie Medewerker Dienstverlening A. In dit verband heeft appellante onder meer aangevoerd dat zij, naast het regulier zwemonderwijs, ook les geeft aan diverse specifieke doelgroepen, waaronder ‘aqua sportief’ en ‘beweeg je fit’-lessen. Daarnaast is zij meer dan haar collega’s betrokken bij de begeleiding van stagiaires. Verder betoogt appellante dat voor haar functie een MBO werk- en denkniveau is vereist en dat zij ruime ervaring heeft als zwemonderwijzer.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3562) moet de inpassing in een generieke functie terughoudend worden getoetst. Die toetsing is beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. Dit betekent dat pas tot vernietiging van het bestreden besluit kan worden overgegaan als deze inpassing als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat inpassing in een ander, hoger gewaardeerd functieprofiel op zichzelf denkbaar en verdedigbaar is.
4.2.1.
Het college heeft bij de inpassing als inpassingsgrondslag gehanteerd de functietypering behorende bij de functie Medewerker Dienstverlening B, zoals opgenomen in het functieboek van [stadsdeel] . Blijkens die typering zijn de kenmerkende aspecten van die functie:
het leveren van standaard informatie via de telefoon;
het leveren van routinematige/standaard diensten en producten waarvoor meer kennis en ervaring is vereist;
eenzijdig productenpakket;
overleg en contact met het publiek/medewerkers in het kader van de levering van informatie, producten en diensten;
VMBO-opleiding, gerichte opleiding en ervaring binnen het werkveld.
4.2.2.
De functietypering Medewerker Dienstverlening A, zoals opgenomen in het functieboek van de gemeente Amsterdam, wordt gekenmerkt door:
het leveren van standaard informatie op een specifiek aandachtsgebied;
het leveren van routinematige diensten en producten;
overleg en contacten met burgers en bedrijven over vragen, gemeentelijke procedure, serviceverlening, aanvragen en klachten;
VMBO werk- en denkniveau, enige ervaring.
4.3.
Tegen de inpassing in de functietypering van Medewerker Dienstverlening B van het functieboek van het [stadsdeel] in 2008 heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend. Evenmin is gebleken dat nadien de haar opgedragen werkzaamheden zodanig zijn gewijzigd dat deze functietypering niet meer als basis zou kunnen dienen voor het onderhavige bestreden besluit.
4.4.
Een generieke functietypering strekt naar haar aard tot een globale beschrijving van taken waaronder uiteenlopende individuele functies zijn te vatten en heeft dus niet het oog op uitputtende beschrijving van concrete individuele werkzaamheden. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 18 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1069). Volgens het college valt het geven van zweminstructies, waaronder zowel de reguliere zwemlessen als de aquasportlessen en ‘beweeg je fit’-lessen, onder het kenmerkend aspect van het leveren van routinematige diensten van de functietypering Medewerker Dienstverlening A van het gemeentebrede functieboek. Ook het begeleiden van stagiaires, wat volgens beide partijen tot de taak van iedere zweminstructeur behoort, valt volgens het college onder dit aspect. Evenals de rechtbank acht de Raad dit standpunt van het college niet onhoudbaar. Daaraan doet niet af dat er met appellante afspraken zijn gemaakt dat zij in verhouding tot haar collega’s meer stagiaires begeleidt. Bij de transitie naar het gemeentebrede functiegebouw gaat het immers om de koppeling van het feitelijk samenstel van opgedragen werkzaamheden aan een generieke functie uit het functieboek van de gemeente Amsterdam. Voorts heeft het college toegelicht dat het informeren van burgers over het aanbod van (specifieke) zwemlessen onder het kenmerkend aspect van de functietypering Medewerker Dienstverlening A ‘het leveren van standaard informatie op een specifiek aandachtsgebied’ valt. Dat appellante zich ook heeft beziggehouden met het leveren van standaard informatie op meerdere specifieke aandachtsgebieden, hetgeen een kenmerkend aspect is van de functietypering van de functie Medewerker Dienstverlening B van het functieboek van de gemeente Amsterdam, is door het college ontkend en uit de gedingstukken niet gebleken.
4.5.1.
Het standpunt van appellante dat in haar functie een MBO werk- en denkniveau is vereist, zodat reeds hierom inpassing in bandbreedte A niet op zijn plaats is, slaagt niet. Dit standpunt kan er in ieder geval niet toe leiden dat appellante ingepast had moeten worden in de functie Medewerker Dienstverlening B van het functieboek van de gemeente Amsterdam, zoals appellante betoogt, nu ook in de functietypering van deze functie een VMBO werk- en denkniveau is vermeld. Pas in de naasthoger gelegen functie van Medewerker Dienstverlening C is een MBO werk- en denkniveau vermeld.
4.5.2.
Dat in de tekst van de vacature Zwemonderwijzer B, waarop appellante destijds heeft gesolliciteerd en waarin zij is aangesteld, vermeld stond dat een MBO werk- en denkniveau is vereist en dat appellante een MBO-opleiding (toenmalige CIOS-opleiding) heeft afgerond, betekent ook niet dat de inpassing in bandbreedte A onhoudbaar is. De in de functietypering vermelde opleiding en ervaring fungeert als een ondergrens om geplaatst te kunnen worden in de functie van Medewerker Dienstverlening A. Daaraan doet niet af dat de functionaris beschikt over een hogere opleiding dan het minimaal benodigde niveau.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter, in tegenwoordigheid van
S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2016.
(getekend) K.J. Kraan
(getekend) S.W. Munneke
IJ