Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-05-18
ECLI:NL:CRVB:2016:1995
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,754 tokens
Inleiding
15/2347 ZVW, 15/2348 ZVW
Datum uitspraak: 18 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
31 maart 2015, 13/3333 en 14/1718 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zorginstituut Nederland (Zorginstituut)
Procesverloop
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.D. Dijkstra.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het Zorginstituut aan appellant medegedeeld dat [zorgverzekeraar] hem op 24 juni 2013 bij het Zorginstituut heeft aangemeld als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarom is hij vanaf juli 2013 een bestuursrechtelijke premie van € 160,72 per maand verschuldigd. Deze premie zal worden ingehouden op zijn inkomen (broninhouding).
1.2.
Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij brief van 1 augustus 2013 heeft het Zorginstituut de gemeente Groningen verzocht per 1 augustus 2013 te stoppen met de broninhouding omdat de zorgverzekeraar appellant per die datum heeft afgemeld als wanbetaler.
1.4.
Bij besluit van 1 augustus 2013 heeft het Zorginstituut appellant medegedeeld dat zijn zorgverzekeraar hem per 1 augustus 2013 heeft afgemeld als wanbetaler en dat hij niet langer de bestuursrechtelijke premie verschuldigd is. Daarbij heeft het Zorginstituut vermeld dat tegen deze afmelding als wanbetaler geen bezwaar kan worden gemaakt en dat er nog een eindafrekening volgt.
2.1.
Bij besluit van 28 november 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant per
1 augustus 2013 is afgemeld als wanbetaler. Daarom heeft hij geen belang meer bij de behandeling van zijn bezwaar.
2.2.
Appellant heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat zijn inkomen door de bronheffing ten onrechte onder de beslagvrije voet is gekomen. De zorgverzekeraar heeft hem ten onrechte als wanbetaler aangemeld. Hij heeft verzocht om schadevergoeding.
2.3.
Bij besluit van 13 februari 2014 (bestreden besluit 2) heeft het Zorginstituut bestreden besluit 1 ingetrokken en bestreden besluit 2 daarvoor in de plaats gesteld. Bij bestreden besluit 2 heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellant tegen de verschuldigdheid en/of hoogte van de bestuursrechtelijke premie onder verwijzing naar artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van appellant, voor zover gericht tegen de inning van de bestuursrechtelijke premie, ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
3.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1
niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk omdat bestreden besluit 2 daarvoor in de plaats is gekomen. Appellant heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van bestreden besluit 1. Wat bestreden besluit 2 betreft heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtsmiddelen van de Awb niet openstaan tegen een besluit over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan. Voor de broninhouding van de bestuursrechtelijke premie geldt dat het Zorginstituut niet gehouden is daarbij de beslagvrije voet te betrekken (CRvB 27 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2471). Wat de tijdigheid van de beslissing op bezwaar betreft heeft het Zorginstituut niet onredelijk laat op het bezwaar beslist. Appellant heeft het Zorginstituut niet in gebreke gesteld. Uit de artikelen 4:17 en 7:14 van de Awb volgt dat het Zorginstituut geen dwangsom verschuldigd is. De door appellant gestelde schade is onvoldoende onderbouwd. Er zijn geen aanwijzingen dat appellant door de kwalificatie ‘wanbetaler’ schade heeft geleden.
3.2.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij procesbelang heeft bij zijn bezwaar en beroep tegen bestreden besluit 1 omdat hij schade heeft geleden door onrechtmatige daden van het Zorginstituut. Bestreden besluit 2 heeft die schade niet weggenomen. Appellant kan zich met dat besluit niet verenigen op de gronden die hij heeft aangevoerd bij de rechtbank. De rechtbank heeft haar werk niet goed gedaan. De zitting begon te laat, er is niet tijdig uitspraak gedaan, de beroepsgronden zijn niet goed bestudeerd en het procesverloop en de feiten zijn niet op juiste wijze weergegeven in de aangevallen uitspraak. Appellant stelt verder dat hij de door hem geleden schade voldoende heeft onderbouwd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak in strijd met de eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk en onafhankelijk proces waarborgen tot stand is gekomen. De rechtbank heeft het procesverloop en de beroepsgronden voldoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom de beroepsgronden niet tot vernietiging van bestreden besluit 2 leiden.
4.2.
Het Zorginstituut heeft het bestreden besluit 1 in bestreden besluit 2 ingetrokken. Het Zorginstituut heeft daarmee te kennen gegeven dat dit besluit onjuist was. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant daarbij geen belang heeft. De Raad stelt zich achter dit oordeel en de overwegingen waarop het berust. Appellant heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat hij door dit besluit schade lijdt.
4.3.
Beoordeling
4.5.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Wat appellant voor het overige nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
4.6.
Nu bestreden besluit 2 in stand blijft wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) J.W.L. van der Loo
MO
Inleiding
15/2347 ZVW, 15/2348 ZVW
Datum uitspraak: 18 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
31 maart 2015, 13/3333 en 14/1718 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zorginstituut Nederland (Zorginstituut)
Procesverloop
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.D. Dijkstra.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het Zorginstituut aan appellant medegedeeld dat [zorgverzekeraar] hem op 24 juni 2013 bij het Zorginstituut heeft aangemeld als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarom is hij vanaf juli 2013 een bestuursrechtelijke premie van € 160,72 per maand verschuldigd. Deze premie zal worden ingehouden op zijn inkomen (broninhouding).
1.2.
Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij brief van 1 augustus 2013 heeft het Zorginstituut de gemeente Groningen verzocht per 1 augustus 2013 te stoppen met de broninhouding omdat de zorgverzekeraar appellant per die datum heeft afgemeld als wanbetaler.
1.4.
Bij besluit van 1 augustus 2013 heeft het Zorginstituut appellant medegedeeld dat zijn zorgverzekeraar hem per 1 augustus 2013 heeft afgemeld als wanbetaler en dat hij niet langer de bestuursrechtelijke premie verschuldigd is. Daarbij heeft het Zorginstituut vermeld dat tegen deze afmelding als wanbetaler geen bezwaar kan worden gemaakt en dat er nog een eindafrekening volgt.
2.1.
Bij besluit van 28 november 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant per
1 augustus 2013 is afgemeld als wanbetaler. Daarom heeft hij geen belang meer bij de behandeling van zijn bezwaar.
2.2.
Appellant heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat zijn inkomen door de bronheffing ten onrechte onder de beslagvrije voet is gekomen. De zorgverzekeraar heeft hem ten onrechte als wanbetaler aangemeld. Hij heeft verzocht om schadevergoeding.
2.3.
Bij besluit van 13 februari 2014 (bestreden besluit 2) heeft het Zorginstituut bestreden besluit 1 ingetrokken en bestreden besluit 2 daarvoor in de plaats gesteld. Bij bestreden besluit 2 heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellant tegen de verschuldigdheid en/of hoogte van de bestuursrechtelijke premie onder verwijzing naar artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van appellant, voor zover gericht tegen de inning van de bestuursrechtelijke premie, ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
3.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1
niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk omdat bestreden besluit 2 daarvoor in de plaats is gekomen. Appellant heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van bestreden besluit 1. Wat bestreden besluit 2 betreft heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtsmiddelen van de Awb niet openstaan tegen een besluit over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan. Voor de broninhouding van de bestuursrechtelijke premie geldt dat het Zorginstituut niet gehouden is daarbij de beslagvrije voet te betrekken (CRvB 27 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2471). Wat de tijdigheid van de beslissing op bezwaar betreft heeft het Zorginstituut niet onredelijk laat op het bezwaar beslist. Appellant heeft het Zorginstituut niet in gebreke gesteld. Uit de artikelen 4:17 en 7:14 van de Awb volgt dat het Zorginstituut geen dwangsom verschuldigd is. De door appellant gestelde schade is onvoldoende onderbouwd. Er zijn geen aanwijzingen dat appellant door de kwalificatie ‘wanbetaler’ schade heeft geleden.
3.2.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij procesbelang heeft bij zijn bezwaar en beroep tegen bestreden besluit 1 omdat hij schade heeft geleden door onrechtmatige daden van het Zorginstituut. Bestreden besluit 2 heeft die schade niet weggenomen. Appellant kan zich met dat besluit niet verenigen op de gronden die hij heeft aangevoerd bij de rechtbank. De rechtbank heeft haar werk niet goed gedaan. De zitting begon te laat, er is niet tijdig uitspraak gedaan, de beroepsgronden zijn niet goed bestudeerd en het procesverloop en de feiten zijn niet op juiste wijze weergegeven in de aangevallen uitspraak. Appellant stelt verder dat hij de door hem geleden schade voldoende heeft onderbouwd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak in strijd met de eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk en onafhankelijk proces waarborgen tot stand is gekomen. De rechtbank heeft het procesverloop en de beroepsgronden voldoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom de beroepsgronden niet tot vernietiging van bestreden besluit 2 leiden.
4.2.
Het Zorginstituut heeft het bestreden besluit 1 in bestreden besluit 2 ingetrokken. Het Zorginstituut heeft daarmee te kennen gegeven dat dit besluit onjuist was. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant daarbij geen belang heeft. De Raad stelt zich achter dit oordeel en de overwegingen waarop het berust. Appellant heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat hij door dit besluit schade lijdt.
4.3.
Beoordeling
4.5.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Wat appellant voor het overige nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
4.6.
Nu bestreden besluit 2 in stand blijft wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) J.W.L. van der Loo
MO
Inleiding
15/2347 ZVW, 15/2348 ZVW
Datum uitspraak: 18 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
31 maart 2015, 13/3333 en 14/1718 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zorginstituut Nederland (Zorginstituut)
Procesverloop
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.D. Dijkstra.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het Zorginstituut aan appellant medegedeeld dat [zorgverzekeraar] hem op 24 juni 2013 bij het Zorginstituut heeft aangemeld als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarom is hij vanaf juli 2013 een bestuursrechtelijke premie van € 160,72 per maand verschuldigd. Deze premie zal worden ingehouden op zijn inkomen (broninhouding).
1.2.
Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij brief van 1 augustus 2013 heeft het Zorginstituut de gemeente Groningen verzocht per 1 augustus 2013 te stoppen met de broninhouding omdat de zorgverzekeraar appellant per die datum heeft afgemeld als wanbetaler.
1.4.
Bij besluit van 1 augustus 2013 heeft het Zorginstituut appellant medegedeeld dat zijn zorgverzekeraar hem per 1 augustus 2013 heeft afgemeld als wanbetaler en dat hij niet langer de bestuursrechtelijke premie verschuldigd is. Daarbij heeft het Zorginstituut vermeld dat tegen deze afmelding als wanbetaler geen bezwaar kan worden gemaakt en dat er nog een eindafrekening volgt.
2.1.
Bij besluit van 28 november 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant per
1 augustus 2013 is afgemeld als wanbetaler. Daarom heeft hij geen belang meer bij de behandeling van zijn bezwaar.
2.2.
Appellant heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat zijn inkomen door de bronheffing ten onrechte onder de beslagvrije voet is gekomen. De zorgverzekeraar heeft hem ten onrechte als wanbetaler aangemeld. Hij heeft verzocht om schadevergoeding.
2.3.
Bij besluit van 13 februari 2014 (bestreden besluit 2) heeft het Zorginstituut bestreden besluit 1 ingetrokken en bestreden besluit 2 daarvoor in de plaats gesteld. Bij bestreden besluit 2 heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellant tegen de verschuldigdheid en/of hoogte van de bestuursrechtelijke premie onder verwijzing naar artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van appellant, voor zover gericht tegen de inning van de bestuursrechtelijke premie, ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
3.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1
niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk omdat bestreden besluit 2 daarvoor in de plaats is gekomen. Appellant heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van bestreden besluit 1. Wat bestreden besluit 2 betreft heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtsmiddelen van de Awb niet openstaan tegen een besluit over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan. Voor de broninhouding van de bestuursrechtelijke premie geldt dat het Zorginstituut niet gehouden is daarbij de beslagvrije voet te betrekken (CRvB 27 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2471). Wat de tijdigheid van de beslissing op bezwaar betreft heeft het Zorginstituut niet onredelijk laat op het bezwaar beslist. Appellant heeft het Zorginstituut niet in gebreke gesteld. Uit de artikelen 4:17 en 7:14 van de Awb volgt dat het Zorginstituut geen dwangsom verschuldigd is. De door appellant gestelde schade is onvoldoende onderbouwd. Er zijn geen aanwijzingen dat appellant door de kwalificatie ‘wanbetaler’ schade heeft geleden.
3.2.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij procesbelang heeft bij zijn bezwaar en beroep tegen bestreden besluit 1 omdat hij schade heeft geleden door onrechtmatige daden van het Zorginstituut. Bestreden besluit 2 heeft die schade niet weggenomen. Appellant kan zich met dat besluit niet verenigen op de gronden die hij heeft aangevoerd bij de rechtbank. De rechtbank heeft haar werk niet goed gedaan. De zitting begon te laat, er is niet tijdig uitspraak gedaan, de beroepsgronden zijn niet goed bestudeerd en het procesverloop en de feiten zijn niet op juiste wijze weergegeven in de aangevallen uitspraak. Appellant stelt verder dat hij de door hem geleden schade voldoende heeft onderbouwd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak in strijd met de eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk en onafhankelijk proces waarborgen tot stand is gekomen. De rechtbank heeft het procesverloop en de beroepsgronden voldoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom de beroepsgronden niet tot vernietiging van bestreden besluit 2 leiden.
4.2.
Het Zorginstituut heeft het bestreden besluit 1 in bestreden besluit 2 ingetrokken. Het Zorginstituut heeft daarmee te kennen gegeven dat dit besluit onjuist was. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant daarbij geen belang heeft. De Raad stelt zich achter dit oordeel en de overwegingen waarop het berust. Appellant heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat hij door dit besluit schade lijdt.
4.3.
Beoordeling
4.5.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Wat appellant voor het overige nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
4.6.
Nu bestreden besluit 2 in stand blijft wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) J.W.L. van der Loo
MO