Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-06-01
ECLI:NL:CRVB:2016:1943
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,690 tokens
Inleiding
13/3162 WSF
Datum uitspraak: 1 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
2 mei 2013, 12/1295 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift en, op verzoek van de Raad, een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken 13/3164 WSF en 13/3167 WSF. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.
Het onderzoek is heropend na de zitting.
Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2014. De zaak is gelijktijdig behandeld met de beide hiervoor genoemde zaken. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee. Aanwezig waren de door appellant meegenomen getuige [naam getuige 1] , zoon van de hoofdbewoonster, en de door de Raad opgeroepen getuige [naam getuige 2] , controleur.
Na deze zitting is het onderzoek opnieuw heropend en heeft de minister vragen van de Raad beantwoord.
Met toestemming van partijen is een tweede nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
De minister heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 januari 2012 aan appellant studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellant staat vanaf 24 maart 2011 in de gemeentelijke basisadministratie personen (gba) ingeschreven onder het adres
[adres] .
1.2.
Op 19 juni 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Zij hebben daartoe een huisbezoek afgelegd op het
gba-adres van appellant om te controleren of hij op dat adres woont. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 23 juni 2012.
1.3.
De onderzoeksbevindingen zijn voor de minister aanleiding geweest om bij besluit van
7 juli 2012 de toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2012 te herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 1.143,24, dat als gevolg van de herziening te veel aan appellant is betaald, terug te vorderen.
1.4.
Bij besluit van 12 september 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2012 ongegrond verklaard. Aan de herziening en de terugvordering heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit het rapport van 23 juni 2012 is gebleken dat appellant niet woont op het adres waaronder hij in de gba staat ingeschreven.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van
10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.
4.1.2.
Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:
a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gba staat ingeschreven, en
b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gba staat of staan ingeschreven.
4.1.3.
Ingevolge artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 zijn met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 belast de bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren of andere personen.
4.1.4.
Ingevolge artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder toezichthouder verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
4.2.
Op grond van artikel 1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 april 2012, nr. HO&S399254 (Stcr. 2012, nr. 8364, 1 mei 2012; hierna: aanwijzingsbesluit) zijn de personen werkzaam bij onder meer [BV] met ingang van 1 januari 2012 belast met het toezicht, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000.
4.3.
Het onder 1.2 vermelde rapport van 23 juni 2012 vermeldt bij gegevens controlerende partij als naam van de organisatie [BV] en onder namen controleurs [naam 1] en [naam 2] .
4.4.
In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat op grond van de gedingstukken de bevoegdheid van de controleurs niet blijkt.
4.5.
Op verzoek van de Raad heeft de minister in het geding gebracht de brief van
[naam directeur] , directeur van [BV] , van 21 januari 2014. In deze brief verklaart
Van [naam directeur] namens [BV] dat [naam 1] en [naam 2] ten tijde van het huisbezoek en ten tijde van het opmaken van het rapport werkzaam waren voor/bij [BV] . Ter zitting van de Raad van 8 oktober 2014 is [naam 1] als getuige gehoord. Op de vraag wat zijn precieze relatie met [BV] was op het moment van het onderzoek heeft hij verklaard dat hij niet bij [BV] in dienst was, maar dat hij als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) opdrachten uitvoerde voor [BV] . Vervolgens heeft de minister bij brief van 10 december 2014 te kennen gegeven dat [naam 2] ten tijde van het huisbezoek en het opmaken van het rapport in vaste dienst was van [BV] en bevestigd dat [naam 1] destijds door Investiga als zzp’er was ingehuurd.
4.6.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, geoordeeld dat artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 in verbinding met artikel 5:11 van de Awb, en de bij die bepalingen horende wetsgeschiedenis, bezien in samenhang met de in de praktijk gegeven sturing door de minister aan de controleurs en de afwezigheid van een commercieel belang bij het resultaat van de controle door de gekozen bezoldigingsafspraken, een voldoende wettelijke grondslag biedt om werknemers van een private partij te belasten met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Dit betekent dat de minister een besluit tot herziening van de uitwonendenbeurs in een thuiswonendenbeurs in beginsel mag baseren op de resultaten van een huisbezoek dat is verricht door deze personen.
4.7.
Voor het inschakelen van [naam 1] door [BV] is naar het oordeel van de Raad evenwel een onvoldoende wettelijke grondslag aanwezig. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.8.1.
[naam 1] was ten tijde van het huisbezoek niet werkzaam bij [BV] , zodat hij niet valt onder het bereik van het in 4.2 genoemde aanwijzingsbesluit. Reeds daarom was [naam 1] op dat moment niet bevoegd tot het houden van toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000.
4.8.2.
Zoals is overwogen in de in 4.6 genoemde uitspraak van 2 december 2015, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan. De Raad ziet geen reden voor een extensieve interpretatie van de zinsnede “de personen werkzaam bij” in artikel 1 van het aanwijzingsbesluit in die zin dat onder de aanwijzing niet alleen personen vallen die – op basis van een arbeidsovereenkomst – in dienst zijn bij de private bedrijven, maar ook de personen die op incidentele basis – bijvoorbeeld als zzp’er – werkzaamheden verrichten voor die bedrijven. De rechtsverhouding tussen een zzp’er, die in opdracht diensten verricht, en het private bedrijf mist de voor een regulier dienstverband tussen een werkgever en een werknemer kenmerkende elementen van bestendigheid en het bestaan van een gezagsverhouding. Door het ontbreken van een voldoende rechtstreekse gezagsverhouding zijn sturingsmogelijkheden onvoldoende verzekerd, waardoor zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van het door de controlerende zzp’er uitgevoerde onderzoek in het gedrang komen.
4.9.
De in het rapport van 23 juni 2012 weergegeven bevindingen van het huisbezoek kunnen niet worden herleid naar de bevindingen van de individuele controleurs. Dit betekent dat de onder 4.8.1 vastgestelde onbevoegdheid van één van de twee controleurs ertoe leidt dat de bevindingen van het huisbezoek onrechtmatig zijn verkregen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 12 september 2012;
herroept het besluit van 7 juli 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 12 september 2012;
veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.322,67;
bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt;
bepaalt dat aan de getuige [naam 2] een vergoeding wordt toegekend van € 56,35, te betalen door de Staat der Nederlanden.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.
(getekend) J. Brand
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
TM