Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-05-04
ECLI:NL:CRVB:2016:1624
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,410 tokens
Inleiding
14/6575 WW
Datum uitspraak: 4 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
24 november 2014, 14/1581 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
Overwegingen
1.1.
Het Uwv heeft appellant met ingang van 10 januari 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een verlies van gemiddeld 42,90 arbeidsuren per week. Appellant is met ingang van 20 augustus 2012 op een wisselend aantal uren gaan werken in dienst van uitzendbureau [naam uitzendbureau] . Bij besluit van
17 september 2012 heeft het Uwv bepaald dat de WW-uitkering van appellant vanaf
20 augustus 2012 voorlopig als voorschot wordt betaald en dat voorlopig 70% van een
bruto-uurloon van € 20,-, inclusief vakantiegeld, vermenigvuldigd met het aantal per week gewerkte uren van het voorschot wordt afgetrokken. Daarbij is vermeld dat de uitkering opnieuw wordt berekend zodra het gemiddelde SV-loon bekend is en dat de hoogte van het SV-loon kan afwijken van het brutoloon.
1.2.
Appellant is met ingang van 15 oktober 2012 daarnaast ook nog op een wisselend aantal uren gaan werken in dienst van [naam werkgever] . Bij besluit van 18 oktober 2013 heeft het Uwv de hoogte van de WW-uitkering van appellant over de periode van 20 augustus 2012 tot
29 juli 2013 definitief vastgesteld met aftrek van een gemiddeld SV-loon van € 20,41 per uur en het te veel betaalde voorschot over die periode van appellant teruggevorderd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat hij het niet eens is met aftrek van zijn inkomsten en omdat zijn vakantiegeld, eindejaarstoeslag en onregelmatigheidstoeslag in die aftrek worden betrokken. Bij beslissing op bezwaar van 8 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Volgens appellant zijn de voorwaarden voor inkomstenaftrek niet op hem van toepassing. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - dit beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen de wijze van korting van zijn WW-uitkering ongegrond is verklaard en dat bezwaar in zoverre
niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank is het besluit van 17 september 2012 onherroepelijk geworden en kon appellant daarom tegen de inkomstenaftrek niet meer opkomen in het kader van zijn bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2013.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank zijn bezwaar ontvankelijk had moeten achten, omdat de gevolgen van de inkomstenaftrek pas bij het besluit van 18 oktober 2013 zichtbaar werden. Verder is het Uwv volgens appellant ten onrechte voorbij gegaan aan artikel 4:1, negende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met het besluit van 17 september 2012 is de WW-uitkering van appellant omgezet in een voorschot met aftrek van een gedeelte van het loon van appellant. Bij de bekendmaking van een inkomstenaftrek in plaats van een urenaftrek is als motivering vermeld dat appellant op
20 augustus 2012 was gaan werken, toen langer dan 52 weken (onafgebroken) werkloos was en ook in de week daarvoor (nog) volledig werkloos was. Daarbij is niet vermeld krachtens welke wettelijke voorschriften dat besluit is genomen. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt en dit besluit is daarom in rechte onaantastbaar geworden.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak ziet de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en dus niet mede op oordelen van feitelijke en juridische aard die daaraan ten grondslag hebben gelegen (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2006:AY5576 en ECLI:NL:CRVB:2014:544). Bij besluit van 17 september 2012 is de aard van de WW-uitkering in die zin veranderd dat deze vanaf 20 augustus 2012 als voorschot wordt betaald. De vaststelling en beoordeling van feiten en omstandigheden in dat besluit die hebben geleid tot voorschotverlening met een inkomstenaftrek in plaats van een urenaftrek, is onderdeel van de motivering van dat besluit. Deze vaststelling en beoordeling heeft geen binding tussen partijen bij het besluit waarin definitief wordt bepaald wat de hoogte van het recht op WW-uitkering moet zijn over de periode in geding en wat als te veel betaald moet worden teruggevorderd. Voor een (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2013 is dus geen plaats.
4.3.
De rechtbank had inhoudelijk moeten beoordelen of de tegen de inkomstenaftrek aangevoerde beroepsgronden al dan niet slagen. De Raad zal dit hierna alsnog doen.
4.4.
Voor de beoordeling of op 20 augustus 2012 aan de voorwaarden voor inkomstenaftrek is voldaan en zo ja, of vakantiegeld, eindejaarsuitkering en onregelmatigheidstoeslag terecht in die aftrek zijn betrokken gaat het om wettelijke bepalingen zoals die golden op 20 augustus 2012. Aan de wijzigingen in de tekst van artikel 20, zesde lid, onderdeel b, en tiende lid, en artikel 35aa van de WW per 1 januari 2013 wordt voorbijgegaan, omdat aan die wijzigingen geen terugwerkende kracht is verleend. De in dit geding relevante bepalingen luidden op
20 augustus 2012 als volgt.
Artikel 20 WW
1. Het recht op uitkering eindigt: […]
b. voor zover de werknemer niet langer werkloos is; […]
6. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing: […]
b. op de werknemer, die ten minste 52 weken onafgebroken recht op uitkering heeft gehad, mits de werknemer werkzaamheden als werknemer gaat verrichten op een moment waarop sprake is van volledig verlies van zijn arbeidsuren terwijl geen recht bestaat op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. […]
8. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, worden perioden meegeteld waarin ten hoogste gedurende vier weken geen recht op uitkering bestaat.[…]
Artikel 35aa WW
1. De uitkering wordt verminderd met 70% van het inkomen indien: […]
b. artikel 20, zesde lid, onderdeel b […] van toepassing is.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan. […]
Artikel 3:1 AIB
Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van het inkomen als bedoeld in de Werkloosheidswet […].
Artikel 3:2 AIB
1. Onder inkomen wordt verstaan:
a. hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet[…]
Artikel 16 Wet financiering sociale verzekeringen
1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964[…]
Artikel 10 Wet op de loonbelasting 1964
1. Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.
4.5.
Op 20 augustus 2012 had appellant meer dan 52 weken onafgebroken recht op
WW-uitkering gehad en in de onmiddellijk aan 20 augustus 2012 voorafgaande week was hij volledig werkloos. Daarmee is appellant op dat moment een werknemer als bedoeld in artikel 20, zesde lid, onderdeel b, van de WW. Dit wordt niet anders door het feit dat appellant volledig heeft gewerkt in de weken 34, 36, 37, 46, 48 en 52 van 2011 en de weken 1, 2 en 4 van 2012.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin over proceskosten en griffierecht is beslist;
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van
€ 496,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) L.L. van den IJssel
MO