Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-04-06
ECLI:NL:CRVB:2016:1281
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,419 tokens
Inleiding
14/7129 WAO
Datum uitspraak: 6 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
5 december 2014, 13/3559 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2016. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard.
Overwegingen
1.1.
Appellante heeft, nadat zij haar werkzaamheden als administratief medewerkster op
19 januari 1998 heeft gestaakt vanwege lichamelijke klachten, met ingang van 18 januari 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een aantal wijzigingen in het recht op uitkering in de periode van 2000 tot 2007 heeft het Uwv bij besluit van 14 november 2007 aan appellante een WAO-uitkering toegekend met ingang van
22 februari 2007, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
1.2.
Appellante heeft zich op 9 maart 2013 bij het Uwv toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met maag- en darmklachten en psychische klachten. Bij besluit van 18 april 2013 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellante per 1 februari 2013 te herzien. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit bij beslissing op bezwaar van
24 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig geweest en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende en inzichtelijk uiteengezet dat de arbeidsongeschiktheid van appellante niet is toegenomen op grond van dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat er wel sprake is van toegenomen klachten binnen vijf jaar na 22 februari 2007. Reeds vanaf 2010 heeft zij zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Het Uwv heeft haar lichamelijke en psychische beperkingen onderschat.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot het volgende oordeel.
4.1.
Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar wat de rechtbank in overweging 5 van de aangevallen uitspraak heeft vermeld.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer ECLI:NL:CRVB:2001:AB1845) houdt artikel 39a, eerste lid, van de WAO geen regeling in van een toename van arbeidsongeschiktheid in algemene zin, maar is dit artikel naar bewoordingen en bedoeling beperkt tot uitsluitend die situaties waarin sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit dezelfde (medische) oorzaak die ten grondslag ligt aan de reeds toegekende WAO-uitkering.
4.3.
Als uitgangspunt voor de beoordeling of sprake is van toegenomen beperkingen geldt derhalve de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 oktober 2006 die destijds aan het in 1.1 genoemde besluit van 14 november 2007 ten grondslag heeft gelegen. Deze FML ziet op beperkingen als gevolg van lage rugpijn, overige klachten van het botspierstelsel (klachten aan de linkerheup en fibromyalgie) en nekklachten.
4.4.
De gronden van appellante in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende is gemotiveerd dat, met de geclaimde maag- en darmklachten en psychische klachten, geen sprake is van toegenomen beperkingen op grond van dezelfde ziekteoorzaak en maakt de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne.
4.5.
Nu appellante in hoger beroep geen nadere objectieve medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij binnen vijf jaar na 22 februari 2007, voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak, meer beperkt is dan is opgenomen in de FML 19 oktober 2006, ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.
5. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd de WAO-uitkering van appellante per 1 februari 2013 te herzien. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) H.J. Dekker
MO