Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2015-10-28
ECLI:NL:CRVB:2015:5001
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,355 tokens
Inleiding
14/1430 WIA (gerectificeerde uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2014, 13/746 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 28 oktober 2015
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. H.J. Hoekman, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Namens betrokkene zijn mr. Hoekman en A. Nieënhuis verschenen.
Overwegingen
1.1.
[werknemer] (werknemer) is op 2 maart 2011 ten gevolge van gegeneraliseerde artroseklachten uitgevallen voor zijn werk als medewerker groen en infra voor 32 uur per week bij betrokkene. Op 26 november 2012 heeft werknemer een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.2.
Bij besluit van 23 januari 2013 heeft appellant het tijdvak waarin werknemer jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 26 februari 2014. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat door betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65 van die wet. Aan dit besluit ligt een rapport van een voor appellant werkzame arbeidsdeskundige van 22 januari 2013 ten grondslag.
1.3.
Bij besluit van 29 mei 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 23 januari 2013, onder verwijzing naar een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 mei 2013, ongegrond verklaard.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 23 januari 2013 herroepen. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat appellant het door betrokkene betaalde griffierecht dient te vergoeden.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant ten onrechte een loonsanctie aan betrokkene opgelegd omdat betrokkene een deugdelijke grond heeft gegeven voor de wijze waarop zij de werknemer heeft gere-integreerd. De rechtbank heeft daartoe onder meer gewezen op een deskundigenoordeel van 26 april 2012, waarin een arbeidsdeskundige op basis van rapporten van de bedrijfsarts de verrichte re-integratie-inspanningen voldoende heeft geacht, een rapport van een arbeidsdeskundige van 28 december 2012 en een sociaal-medisch advies van 23 augustus 2013, waarin wordt uitgegaan van een maximale belastbaarheid van werknemer van zestien uur per week.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant (samengevat) aangevoerd dat betrokkene, door werknemer voor niet meer dan zestien uur per week te herplaatsen in andere (passende) werkzaamheden, onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rechtbank heeft volgens appellant niet onderkend dat bij het deskundigenoordeel de bevindingen van de bedrijfsarts niet zijn getoetst. Het arbeidskundig rapport van 28 december 2012 kan niet als rechtvaardigingsgrond dienen voor het feit dat betrokkene gedurende het eerste en tweede ziektejaar steeds ten onrechte een urenbeperking in acht heeft genomen. Verder heeft de rechtbank naar de mening van appellant een onjuiste betekenis toegekend aan het sociaal-medisch advies van 23 augustus 2013, omdat het advies geen betrekking heeft op het eerste en tweede ziektejaar en de beperkte arbeidsmogelijkheden zoals aan de orde in augustus 2013 mede het gevolg zijn van een vicieuze cirkel van toenemende klachten en steeds minder gaan bewegen. Appellant verwijst naar verzekeringsgeneeskundige rapporten van 21 januari 2013 en 15 mei 2013, waarin uiteengezet is waarom de bedrijfsarts ten onrechte heeft geadviseerd om tijdens de re-integratie in het eerste en tweede ziektejaar steeds rekening te houden met een duurbeperking. Appellant wenst te benadrukken dat het aan de werkgever is om na te gaan of de zieke werknemer kan hervatten in een andere passende functie, of dat er een andere functie passend kan worden gemaakt. Een onderzoek naar een functie van meer dan zestien uur heeft echter niet plaatsgevonden.
3.2.
Betrokkene heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In geschil is de vraag of appellant terecht het tijdvak waarin werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd tot 26 februari 2014. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, omdat werknemer voor niet meer dan zestien uur per week heeft hervat in aangepast werk.
4.2.
Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar wat de rechtbank in overweging 5 van de aangevallen uitspraak heeft vermeld.
4.3.1.
Werknemer heeft meerdere keren de bedrijfsarts bezocht. Vanaf 7 juni 2011 heeft werknemer voor twaalf uur, later uitgebreid tot zestien uur per week hervat in de functie van toezichthouder. Op 13 februari 2012 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat zestien uur per week werken voor werknemer het maximaal haalbare is.
4.3.2.
Betrokkene heeft vervolgens appellant verzocht om een zogenoemd deskundigenoordeel over de re-integratie-inspanningen van betrokkene. Op het daartoe strekkende aanvraagformulier van 4 april 2012 heeft betrokkene bij vraag 1.1 Waarover wilt u een oordeel aanvragen, de optie aangekruist “Doe ik genoeg om mijn werknemer weer aan het werk te helpen?”. In bijlage 1 bij het aanvraagformulier heeft zij bij item 1.1 Omschrijf de situatie waarover u van Uwv een oordeel wilt, de vraag geformuleerd: “Heeft werkgever voldoende re-integratie-inspanningen verricht?”. Tevens heeft zij op het formulier vermeld dat werknemer nu toezicht houdt op gebouwen en opstallen en dat het aantal werkuren is aangepast naar zestien uur per week.
4.3.3.
Naar aanleiding van voornoemde aanvraag heeft een voor appellant werkzame arbeidsdeskundige een onderzoek ingesteld en op 25 april 2012 een rapport uitgebracht, waarvan de conclusie luidt dat de door betrokkene tot dat moment verrichte re-integratie-inspanningen voldoende worden geacht. Bij brief van 26 april 2012 heeft appellant betrokkene het volgende meegedeeld: “Ons oordeel is dat de re-integratie-inspanningen van uw bedrijf voor uw werknemer tot nu voldoende zijn geweest. In de bijgevoegde rapportage van onze arbeidsdeskundige leest u meer over onze motivering.” Daarbij heeft appellant nog vermeld dat het belangrijk is dat betrokkene dit oordeel gebruikt bij de verdere re-integratie.
4.4.
Een werkgever mag in beginsel uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel indien een bevestigend antwoord is verkregen op de vraag of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer tot op dat moment voldoende zijn geweest (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:2429). In het voorliggende geval heeft betrokkene, als werkgever, een re-integratietraject met werknemer ingeslagen. Dat traject heeft ertoe geleid dat werknemer ten tijde van de aanvraag van het deskundigenoordeel in april 2012 gedurende zestien tot twintig uur per week (ongeveer 50% van de voor werknemer geldende arbeidstijd) werkzaam was in andere dan zijn eigen werkzaamheden, waarvan volgens de bedrijfsarts van betrokkene, de belasting in overeenstemming was met de beperkingen van werknemer. In het arbeidskundig rapport van 25 april 2012, dat ten grondslag ligt aan het deskundigenoordeel van 26 april 2012, is onder het kopje “Mening Uwv” vermeld dat de werkhervatting van werknemer op dat moment reëel werd geacht. Daaraan is de conclusie verbonden dat de re-integratie-inspanningen van betrokkene tot op dat moment voldoende waren.
4.5.
De vermelding in het arbeidskundig rapport van 25 april 2012 onder het kopje “Gegevens m.b.t.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 980,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 493,-.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) B. Fotchind
UM