Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2015-04-14
ECLI:NL:CRVB:2015:1255
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,346 tokens
Inleiding
13/5850 WWB
Datum uitspraak: 14 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2013, 13/880 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Nadien heeft A.M.J.G.M. Oomen zich als gemachtigde gesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Namens appellante is Oomen verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.1.1. Appellante ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Daarnaast ontvangt appellante vanaf oktober 2002 aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden. Zij ontving deze bijstand eerst op grond van de Algemene bijstandswet en nadien ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (college), vervolgens van de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtssteden en per 1 november 2008 van de Svb. Vanaf 1 januari 2010 ontvangt appellante bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen als bedoeld in artikel 47a van de WWB (AIO-aanvulling).
1.2.
De Svb heeft in het kader van een herbeoordeling van het recht op bijstand onderzoek verricht naar het woningbezit van appellante. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat de waarde van de woning van appellante op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ-waarde) op 28 februari 2011 € 187.000,- bedroeg en dat zij op 1 november 2011 een (resterende) hypotheekschuld had van € 28.312,76.
1.3.
In de onderzoeksresultaten heeft de Svb aanleiding gezien om bij besluit van
15 oktober 2012 de AIO-aanvulling met ingang van 1 oktober 2012 in de vorm van een geldlening te verstrekken. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante overwaarde heeft op haar woning die meer bedraagt dan het voor haar geldende vrijlatingsbedrag van € 46.100,-. De overwaarde van de woning is vastgesteld op € 110.687,24. Dit bedrag is de WOZ-waarde per 28 februari 2011 van € 187.000,- minus de hypotheekschuld, andere schulden en het vrijlatingsbedrag. Appellante ontvangt de
AIO-aanvulling tot aan het bedrag van de overwaarde in de vorm van een lening. Appellante dient als zekerheid voor de nakoming van de aflossingsverplichting een (krediet)hypotheek te vestigen. Appellante heeft daaraan haar medewerking verleend.
1.4.
Bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2012 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat gelet op de gebonden bevoegdheid van artikel 50, eerste lid, van de WWB om de vorm van de bijstand om te zetten naar een lening bij te groot in de eigen woning gebonden vermogen, niet snel kan worden aangenomen dat het vertrouwensbeginsel deze wettelijke bepaling buiten toepassing doet blijven en dat appellanten geen specifieke en ondubbelzinnige toezegging aannemelijk hebben gemaakt, of anderszins een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het college in het verleden uit oogpunt van behoorlijk bestuur ervan heeft afgezien om eerst vijf jaar na de aanvraag om aanvullende bijstand aan appellante alsnog de verplichting van een krediethypotheek op te leggen. Hieraan is de Svb ten onrechte voorbijgegaan. In de WWB is duidelijk neergelegd dat de Svb in principe de eerder genomen beslissing van het college moet overnemen. In dit geval is de woning niet in waarde vermeerderd zodat de door de Svb genoemde rechtspraak van de Raad hierover niet opgaat. Namens appellante is ter zitting toegelicht dat het appellante gaat om de omzetting van de vorm van de bijstand van om niet naar een schuld en dat de vestiging van de hypotheek daarvan een gevolg is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 50, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht heeft op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Ingevolge artikel 50, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft, indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, die bijstand de vorm van een geldlening voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d van de WWB.
4.2.
Artikel 78i, eerste lid, van de WWB bepaalt dat een besluit van het college tot verlening van algemene bijstand aan een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de WWB dat is genomen vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4, met ingang van die datum geldt als genomen door de Sociale verzekeringsbank op grond van paragraaf 5.4. Ingevolge artikel 78i, tweede lid, van de WWB gaat de toepassing van paragraaf 6.5 in relatie tot besluiten als bedoeld in het eerste lid na de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 over op de Sociale verzekeringsbank. Ingevolge artikel 78i, derde lid, van de WWB geldt een tot het college gericht verzoek door een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, om een besluit te nemen, waarop op de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 nog niet is beslist, met ingang van die datum als te zijn gericht tot de Sociale verzekeringsbank. Paragrafen 5.4 en 6.5 zien respectievelijk op de uitvoering door de Svb van de
AIO-aanvulling en het verhaal van kosten van bijstand.
4.3.
In artikel 87j, artikel 78k en artikel 78l van de WWB is in verband met de uitvoering van de Svb van de AIO-aanvulling overgangsrecht opgenomen over onderscheidenlijk bestaande vorderingen, de overgang van bestaande krediethypotheken en bezwaar en beroep.
4.4.
In de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met de overheveling van de uitvoering van de aanvullende bijstand voor personen van 65 jaar of ouder van de gemeenten naar de Svb (Kamerstukken 2008/2009, 32 037,
nr. 3, blz. 16) is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“De hoofdregel is, dat besluiten van de gemeenten over bijstandsverlening aan een
65 plusser op de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel gelden als besluiten van de SVB. Voor bepaalde overgangssituaties dient daarnaast nog overgangsrecht te worden vastgesteld. Uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat gemeenten, vanwege het financiële belang, bevoegd blijven tot besluitvorming over de verlening van bijstand die heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan personen die op die datum bijstand ontvangen van de SVB of die geen bijstand meer ontvangen. Dit heeft gevolgen voor terugvordering van te veel of ten onrechte verstrekte bijstand, voor verhaal van bijstand op derden en voor beslissingen in bezwaar en het behandelen van beroep en hoger beroep, waarbij de gemeente beslissingsbevoegd en partij blijft.”
Op pagina 27 van Kamerstukken 2008/2009, 32 037, nr 3, is verder, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“Artikel 78i regelt dat besluiten over de verlening van de algemene bijstand van de gemeenten met ingang van de inwerkingtreding van deze wet gelden als besluiten van de SVB.
…
Ten aanzien van krediethypotheken is het volgende bepaald. Uitkeringen, die nog in de vorm van een lening worden verstrekt en waarbij als dekking een hypotheek is gevestigd gaan over op de SVB. De SVB treedt dan in de rechten van de colleges (artikel 78k). De hypotheekakte wordt dan op naam van de SVB gesteld in de registers. Daarvoor bevat artikel 78k ook bepalingen, zodat niet per geval aktes hoeven te worden opgemaakt. In geval de bijstand inmiddels niet meer in de vorm van een lening wordt verstrekt bij de overgang van de uitkeringsverstrekking naar de SVB blijft de gemeente bevoegd bij verkoop van de woning via de gevestigde krediethypotheek de vordering op grond van de lening te innen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en
J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) C.M.A.V. van Kleef
HD