Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2014-03-20
ECLI:NL:CRVB:2014:930
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
1,876 tokens
Inleiding
12/4797 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2012, 12/332 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2014. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. van Veeren, S. Slappendel en Z. El Katabi.
Overwegingen
1.
Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1.
Appellante heeft van 14 mei 2007 tot 1 november 2008 op basis van drie opeenvolgende uitzendovereenkomsten gewerkt als medewerker projectondersteuning bij de afdeling Personeel & Organisatie (P&O) van de dienst Stadstoezicht. Bij besluit van 18 december 2008 is zij tijdelijk voor de periode van 1 november 2008 tot 1 november 2009 aangesteld als medewerker projectadministratie bij die afdeling. Bij besluit van 16 oktober 2009 is zij tijdelijk voor de periode van 1 november 2009 tot (lees: tot en met) 30 april 2010 aangesteld als medewerker P&O ondersteuning. Bij besluit van 7 mei 2010 is zij opnieuw tijdelijk aangesteld als medewerker P&O ondersteuning, voor de periode van 1 mei 2010 tot 1 januari 2010 (lees: 2011). Bij besluit van 3 november 2010 is de duur van de tijdelijke aanstelling verlengd tot en met 31 december 2012.
1.2.
Bij besluit van 21 juli 2011 heeft het college appellante meegedeeld dat haar aanstelling bij het verstrijken van de aanstellingsperiode zal eindigen. Hieraan liggen tegenvallende bedrijfseconomische omstandigheden ten grondslag. De beëindiging staat helemaal los van haar functioneren.
1.3.
Bij besluit van 13 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij gedurende de gehele periode van 14 mei 2007 tot 1 januari 2013 steeds dezelfde werkzaamheden voor de gemeente heeft verricht. Het college heeft misbruik van recht gemaakt door haar per 1 november 2008 in ambtelijke dienst te nemen. Daarmee is haar het recht ontnomen op het ontstaan van een vaste dienstbetrekking naar burgerlijk recht. Voor het verlenen van een reeks van tijdelijke ambtelijke aanstellingen was geen grond aanwezig. Van een slechts voor beperkte tijd te vervullen betrekking, als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder b, van het Ambtenarenreglement Rotterdam (AR), is nimmer sprake geweest. De werkzaamheden hebben alles bij elkaar ook langer geduurd dan de termijn van vijf jaar die dit artikelonderdeel maximaal toestaat. Zowel op grond van het vaste beleid als op grond van gedane toezeggingen heeft appellante erop vertrouwd dat haar dienstverband zou worden voortgezet. Zij acht de beëindiging ervan discriminatoir en strijdig met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met het daarbij behorende Eerste Protocol.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De vier onder 1.1 genoemde ambtelijke aanstellingen zijn alle verleend in tijdelijke dienst voor een bepaalde tijd. Hieraan heeft ten grondslag gelegen dat appellante is aangetrokken met het oog op een bepaald project, het opzetten van de Handhavingsacademie. Tegen de aanstellingsbesluiten heeft appellante geen rechtsmiddel ingesteld. Zowel de aanstellingen als de tijdelijkheid daarvan staan dus in rechte vast. Daartegen gerichte beroepsgronden kunnen thans niet meer aan de orde komen. Voor zover appellante zich beroept op het cumulatieve effect van de aanstellingen, kan dit doorbreking van de formele rechtskracht van de aanstellingsbesluiten niet rechtvaardigen. Dit wordt niet anders indien daarbij tevens de voorafgaande uitzendcontracten worden betrokken.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (CRvB 29 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3499) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Dat is anders als er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, of het niet verlengen in strijd zou komen met ongeschreven recht.
4.3.
De aaneengesloten reeks van uitzendcontracten en ambtelijke aanstellingen in dezelfde functie leidt, anders dan appellante betoogt, niet tot het oordeel dat het college verplicht was om haar een verdere voortzetting van het dienstverband aan te bieden. Artikel 13, tweede lid, onder b, van het AR verbiedt weliswaar het verlenen van tijdelijke aanstellingen op projectbasis gedurende meer dan vijf jaar, maar de ambtelijke aanstellingen van appellante hebben in totaal nog geen vijf jaar geduurd. Bovendien verbindt het AR aan overschrijding van die termijn niet het gevolg dat een nieuwe (vaste) aanstelling moet worden verleend.
Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een verplichting tot voortzetting leiden.
4.4.
Van rechtens te honoreren verwachtingen is evenmin gebleken. Voor zover al sprake is geweest van een vaste gedragslijn om, bij goed functioneren, na verloop van tijd een vaste aanstelling te verlenen, is deze achterhaald door de bij circulaire van 31 mei 2011 ingestelde vacaturestop. Niet is in te zien waarom daarvan met toepassing van de zogenoemde escalatieprocedure had moeten worden afgeweken. De enkele verzekering van een P&O‑adviseur "dat het wel goed zou komen" kan niet worden aangemerkt als een bevoegdelijk namens het college gedane toezegging. Bovendien is aannemelijk dat deze uitlating vooral sloeg op de toekomst van de Handhavingsacademie als instituut, en niet op de toekomst van appellante bij de gemeente.
4.5.
De beroepsgronden over discriminatie en strijd met verdragsrecht zijn in (zeer) algemene termen geformuleerd en op geen enkele wijze onderbouwd. Daarom blijven zij hier verder buiten bespreking.
4.6.
De conclusie luidt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en C.H. Bangma en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2014.
(getekend) R. Kooper
(getekend) B. Rikhof
HD