Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2014-03-05
ECLI:NL:CRVB:2014:828
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
988 tokens
Inleiding
12/4134 WW
Datum uitspraak: 5 maart 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van
13 juni 2012, 11/1992 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
De Raad heeft op 4 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1653) een tussenuitspraak gedaan.
Het Uwv heeft een besluit ingezonden van 17 oktober 2013.
Appellant heeft een zienswijze gegeven op het besluit.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer, waarna het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
1.
Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat het Uwv bij de vaststelling van het dagloon in het kader van de Werkloosheidswet (WW) ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit). Aan het Uwv is opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.
Bij besluit van 17 oktober 2013 heeft het Uwv alsnog toepassing gegeven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit en het dagloon van appellant per 1 juli 2011 nader bepaald op
€ 181,73. Het Uwv heeft bepaald dat de kosten van rechtsbijstand in bezwaar vergoed worden tot een bedrag van € 944,-.
3.
Appellant heeft verzocht om vergoeding van zijn kosten en schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uit overwegingen 3.1 en 3.2 van de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.
4.2.
Met het besluit van 17 oktober 2013 heeft het Uwv het dagloon van appellant nader vastgesteld. Uit de zienswijze van appellant volgt dat hij zich met het bij het besluit van
17 oktober 2013 vastgestelde WW-dagloon kan verenigen. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb wordt dit besluit niet in de beoordeling betrokken.
5.
Appellant heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van wettelijke rente. Dit verzoek zal worden toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
6.
Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 974,- in beroep en € 1.217,50 in hoger beroep, in totaal
€ 2.191,50.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 11 oktober 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.191,50;
veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van de wettelijke rente zoals onder 5 van deze uitspraak is vermeld;
bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2014.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) D.E.P.M. Bary
JL