Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2014-02-27
ECLI:NL:CRVB:2014:663
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,376 tokens
Inleiding
12/4620 AW
Datum uitspraak: 27 februari 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2012, 11/2211 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (Duitsland) (appellante)
de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.C.A. Keulers hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, plaatsgehad op
3 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Verhagen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
1.1. Appellante, geboren [in] 1950, was laatstelijk werkzaam in een zogeheten substantieel bezwarende functie (SB-functie) bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
1.2. Tot 1 januari 2010 werd de ambtenaar werkzaam in een dergelijke functie met toepassing van artikel 97, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) ontslagen met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. Vanaf 1 januari 2010 vindt ontslag plaats met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar en 8 maanden heeft bereikt. Voor ambtenaren, geboren vóór 1950, is de oude ontslagdatum gehandhaafd.
1.3. Voor ambtenaren geboren in de periode vanaf 1 januari 1950 tot en met 31 december 1964 is een overgangsregeling getroffen in artikel 130d van het ARAR en artikel 6 van de op het zevende lid van artikel 97 van het ARAR gebaseerde Regeling uitkering substantieel bezwarende functies 2006 (SBF-regeling). Op grond van dit overgangsrecht wordt ambtenaren, geboren in 1950, bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar en 1 maand buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verleend met recht op een uitkering van 80% van de bezoldiging. Artikel 6, vierde lid, van de SBF-regeling bepaalt dat die uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene met het totaal van zijn recht op extra opbouw ouderdomspensioen, zijn recht op inkoop aanspraken ouderdomspensioen en zijn aanspraken op grond van overgangsbepaling A bij hoofdstuk 6 van het pensioenreglement, in staat is een pensioenuitkering te financieren tot de dag waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt en waarvan de hoogte gelijk is aan die van zijn uitkering. Op grond van artikel 130 d, eerste lid, van het ARAR geldt, in afwijking van artikel 97, tweede lid, voor deze ambtenaren als ontslagleeftijd de dag waarop zijn uitkering eindigt.
1.4. Bij besluit van 19 augustus 2010 is appellante met ingang van 1 november 2010 buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verleend, is de hoogte van de haar toekomende SBF-uitkering vastgesteld op € 2.964,88 bruto per maand en is de einddatum van de SBF-uitkering, conform een op verzoek van appellante door de Stichting Pensioenfonds ABP (ABP) uitgevoerde berekening, bepaald op 1 december 2013. Bij besluit op bezwaar van 16 maart 2011 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante voor zover gericht op de hoogte van de uitkering na ontslag niet ontvankelijk, en voor het overige ongegrond verklaard. Bij aanvullend besluit van 21 mei 2012 heeft de minister de einddatum van de SBF-uitkering vastgesteld op 1 maart 2014.
2.
De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. De rechtbank heeft overwogen dat zij heeft uit te gaan van de bepalingen en regels zoals deze zijn neergelegd in de SBF-regeling, dat het tekortschieten van de minister in zijn voorlichting aan het personeel over de aard, strekking en gevolgen van de SBF-regeling geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van het besluit en dat er geen aanwijzingen zijn dat de minister de ontslagdatum verkeerd heeft berekend. Over de stelling van appellante dat zij een verzoek had ingediend om langer door te werken, indien zij van tevoren de volle omvang van haar terugval in inkomen had gerealiseerd, heeft de rechtbank overwogen er niet aan te kunnen voorbijgaan dat een dergelijk verzoek niet is ingediend.
3.1.
Het hoger beroep is gericht tegen het instandlaten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Volgens appellante is de uitwerking van de SBF-regeling onredelijk bezwarend en heeft de minister gehandeld in strijd met goed werkgeverschap en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Appellante acht de inkomensterugval ongewenst en onredelijk en meent dat de ontslagdatum te vroeg is vastgesteld. Ook is appellante door de tekort schietende voorlichting de kans ontnomen andere maatregelen te treffen om de inkomensterugval te beperken. Aan haar zou een vergoeding of compensatie toegekend moeten worden op grond waarvan zij tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd netto een uitkering ontvangt van 80% van haar bezoldiging zonder dat zij per 1 maart 2014 al gebruik moet maken van het keuzepensioen.
3.2.
De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1. Voorop staat dat dient te worden uitgegaan van de bepalingen zoals deze zijn neergelegd in de SBF-regeling, zijnde een algemeen verbindend voorschrift. De rechter kan hetgeen tegen het daarin bepaalde is aangevoerd wel beoordelen, maar moet daarbij de ter zake in ons staatsbestel passende terughoudendheid in acht nemen. Hij zal het resultaat van de afweging van alle betrokken belangen door de materiële wetgever in beginsel moeten respecteren. Dit lijdt uitzondering als aan de inhoud of wijze van totstandkoming van het betrokken voorschrift zodanig ernstige feilen kleven, dat dit voorschrift niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten (CRvB 9 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3439 en TAR 2009, 174).
4.1.2. Voor de conclusie dat in dit geval van feilen als hierboven bedoeld sprake is, is geen plaats. De SBF-regeling vormt de neerslag van de met de vakorganisaties gesloten Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005-2006. Aan een onderhandelingsproces inzake arbeidsvoorwaarden is inherent dat over en weer sprake is van geven en nemen. Zoals de Raad eerder tot uitdrukking heeft gebracht (CRvB 24 februari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS8562), kan de uitkomst van zo’n proces dan ook niet met vrucht worden bestreden door enkel te wijzen op de voor de werknemer nadelige gevolgen ervan.
4.1.3. Appellante heeft geen gronden aangevoerd tegen de (bruto-) hoogte van de toegekende SBF-verlofuitkering van 80% van haar (bruto-) bezoldiging. Dat deze uitkering netto minder bedraagt dan 80% van de netto bezoldiging is een gevolg van fiscale inhoudingen, waarop de minister geen invloed heeft en waarmee hij geen rekening kan dan wel hoeft te houden.
4.1.4. De besluiten tot het verlenen van het buitengewoon verlof en, op termijn, het SBF-ontslag zijn, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, gebonden besluiten, waarbij er geen keuze is om die data op een ander moment te stellen dan volgt uit het ARAR en artikel 6, vierde lid, van de SBF-regeling. Voor appellant bestond de mogelijkheid een verzoek in te dienen om te mogen doorwerken, maar geconstateerd moet worden dat appellant een dergelijk verzoek niet heeft gedaan. De vraag of een dergelijk verzoek kans van slagen zou hebben gehad, ligt in deze procedure niet voor.
4.1.5. Gelet op het vorenstaande deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het tekortschieten van de informatievoorziening door de minister er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit hierom niet in stand kan blijven.
4.2.1. Artikel 6, vierde lid, van de SBF-regeling, hiervoor weergegeven in 1.3, bepaalt de duur van de uitkering en daarmee de ontslagdatum. Het ABP heeft die datum vastgesteld op 1 maart 2014. Uit hetgeen appellante in hoger beroep aanvoert, begrijpt de Raad dat appellante niet bestrijdt dat zij met ingang van 1 maart 2014, met het naar voren halen van de drie in artikel 6, vierde lid, genoemde componenten, daadwerkelijk tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd een pensioen kan financieren van 80% (bruto) van haar SBF-uitkering. Dat dit consequenties heeft voor de hoogte van haar pensioenuitkering na het bereiken van zijn 65-jarige leeftijd, volgt uit de regeling zelf en was derhalve te voorzien.
4.2.2.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en J.N.A. Bootsma en
B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2014.
(getekend) J.Th. Wolleswinkel
(getekend) B. Rikhof
HD