Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2014-07-24
ECLI:NL:CRVB:2014:2536
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
1,538 tokens
Inleiding
13/6366 AW
Datum uitspraak: 24 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 november 2013, 11/3186 AW
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Stichting Openbaar Onderwijs - Regio Alphen aan den Rijn (stichting)
Procesverloop
Verzoeker heeft gevraagd om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad.
De stichting heeft een verweerschrift ingediend. Van verzoeker zijn nadere reacties ontvangen.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 3 juli 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
Overwegingen
1.1. Verzoeker was sinds 1975 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) de stichting als [naam functie A].
1.2. Bij besluit van 5 februari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 mei 2010, heeft de stichting verzoeker ontslag verleend, primair met ingang van 1 maart 2010 wegens onbekwaamheid en ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie anders dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid en subsidiair wegens redenen van gewichtige aard.
1.3. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 16 mei 2011, 10/4349, het beroep tegen het besluit van 20 mei 2010 ongegrond verklaard.
1.4. Bij tussenuitspraak van 14 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1277 heeft de Raad vastgesteld dat gebleken is dat de ongeschiktheid van appellant voor zijn functie als [naam functie A] een gevolg is van ziekte of gebrek en dat deze situatie zich ten tijde van het primaire ontslagbesluit al voordeed. De Raad heeft overwogen dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de primaire ontslaggrond, geen stand kan houden en heeft de stichting opdracht gegeven om een gemotiveerde keuze te maken tussen handhaving van de subsidiaire ontslaggrond en ontslag wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid.
1.5. Bij schrijven van 18 april 2013 heeft de stichting kenbaar gemaakt dat zij het ontslag wegens redenen van gewichtige aard handhaaft, omdat ten tijde van het ontslag sprake was van een ernstige verstoring van de arbeidsverhoudingen die heeft geresulteerd in een uitzichtloze situatie. Verder heeft de stichting te kennen gegeven geen aanleiding te zien voor een aanvullende ontslagvergoeding, omdat zij naar haar mening geen overwegend aandeel heeft in het ontstaan van de reden voor het ontslag.
1.6. Bij de einduitspraak van 14 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2442, waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de onder 1.3 bedoelde uitspraak vernietigd, het beroep tegen het besluit van 20 mei 2010 gegrond verklaard, voor zover het de primair toegepaste ontslaggrond betreft, en dat besluit in zoverre vernietigd, en het besluit van
5 februari 2010 herroepen, voor zover het de primaire ontslaggrond betreft. Verder heeft de Raad het beroep tegen het besluit van 20 mei 2010, voor zover het de subsidiaire ontslaggrond betreft, ongegrond verklaard. De Raad heeft het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen, bepaald dat de stichting aan verzoeker het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 377,- moet vergoeden en heeft de stichting veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van in totaal € 472,-.
2.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Er is sprake van een rechterlijke dwaling dan wel van een uitspraak met voorbedachte rade. De uitspraak is niet conform de uitgebrachte feiten, de feiten zijn verkeerd geïnterpreteerd, er is sprake van onzorgvuldigheid, er is ten onrechte geen sprake geweest van een objectieve belangenafweging en de uitspraak is in tegenspraak met het rechtvaardigheidsbeginsel. Volgens verzoeker had de stichting geen enkele reden hem te ontslaan en is het ontslag onwettig. De Raad had hem moeten beschermen tegen een falende werkgever. Hij heeft recht op een volledige ontslagvergoeding en vergoeding van de volledige advocaatkosten.
3.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, enc. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
In wat door verzoeker is aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden aangetroffen die voldoen aan de drie in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. Het betoog van verzoeker is er in wezen op gericht om op basis van al bekende gegevens een hernieuwde discussie te voeren over de in de einduitspraak van 14 november 2013 besliste rechtsvragen. Daarvoor is het bijzondere rechtsmiddel van herziening echter niet bedoeld (zie onder meer de uitspraken van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1945, en 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319). Over de proceskosten overweegt de Raad tot slot nog dat het bedrag van € 472,- een forfaitair bedrag is dat is vastgesteld met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
3.2.
Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
4.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) A.C. Oomkens
HD