Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2014-05-21
ECLI:NL:CRVB:2014:1770
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,638 tokens
Inleiding
13/1614 ZW, 13/1615 ZW
Datum uitspraak: 21 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
14 februari 2013, 11/857, 11/1223 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
Overwegingen
1.1. Appellant heeft zich op 29 maart 2010 met psychische klachten en maagklachten ziek gemeld voor zijn arbeid als [naam functie] voor 40 uur per week bij [naam werkgever]. Per 10 november 2010 is het dienstverband beëindigd. Appellant is aansluitend een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Op verzoek van het Uwv heeft een expertise plaatsgevonden door psychiater
W.H.J. Mutsaers, die op 8 maart 2011 rapport heeft uitgebracht. Met inachtneming van de uitkomsten van deze psychiatrische expertise is het Uwv, zoals blijkt uit een het rapport van
26 april 2011, tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 3 mei 2011 weer geschikt is te achten voor zijn werk als [naam functie]. Bij besluit van
26 april 2011 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 3 mei 2011 beëindigd.
1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 april 2011. Bij besluit van
5 juli 2011 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 4 juli 2011.
1.4. Appellant heeft zich op 12 en 13 juli 2011 opnieuw ziek gemeld en is op 29 juli 2011 op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv geweest. Op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 2 augustus 2011 voor zover hier van belang met ingang van 13 juli 2011 geen ZW-uitkering toegekend.
1.5. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 augustus 2011. Bij besluit van 26 oktober 2011 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts gevolgd dat appellant met zijn beperkingen op 13 juli 2011 in staat was het maatgevende werk te verrichten en heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gegeven om te twijfelen aan het medisch oordeel dat aan de bestreden besluiten ten grondslag ligt.
3.
Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft in de eerste plaats verwezen naar al hetgeen hij reeds in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren heeft gebracht. Appellant heeft (samengevat) gesteld dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de informatie van zijn behandelaars en de omstandigheden waaronder zijn dienstverband is beëindigd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk. In het onderhavige geval is dit het werk van appellant als [naam functie].
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Nu het Uwv de ZW-uitkering tot en met 12 juli 2011 aan appellant heeft doorbetaald en in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat is besloten het (eventueel) onverschuldigd betaalde ziekengeld over de periode
3 mei 2011 tot en met 12 juli 2011 niet terug te vorderen en appellant desgevraagd niet kan aangeven welk belang hem nog resteert bij een behandeling van zijn aanspraken op
ZW-uitkering tot en met 12 juli 2011, heeft appellant geen procesbelang meer bij de beoordeling van bestreden besluit 1. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak zal, voor zover dat is gericht tegen bestreden besluit 1, om die reden
niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.3.
Ter beoordeling ligt nog voor de vraag of appellant terecht in staat is geacht om zijn werkzaamheden als [naam functie] met ingang van 13 juli 2011 te verrichten hetgeen het in bestreden besluit 2 neergelegde standpunt van het Uwv is.
4.4.
Beoordeling
4.5.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt onvoldoende reden om aan de juistheid van de conclusie van het Uwv te twijfelen. De beschikbare medische informatie roept geen twijfel op aan de juistheid van de opvatting van het Uwv dat appellant in staat was zijn arbeid in de zin van de ZW te verrichten. Er is dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het daartoe strekkende verzoek van appellant wordt afgewezen.
4.6.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit van 5 juli 2011;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D. Heeremans
JvC