Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2014-04-15
ECLI:NL:CRVB:2014:1482
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,333 tokens
Inleiding
12/1564 WIJ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
15 februari 2012, 11/6863 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 13/856 WIJ, plaatsgevonden op 4 maart 2014. Voor appellant is mr. Timmer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mos. In de zaak 13/856 WIJ wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 4 december 2009 een inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ). In het kader van een op grond van de WIJ gedaan werkleeraanbod bij de Haeghe Groep is appellant in januari 2010 gestart bij S&T Schoon Schip en per 12 april 2010 bij de Ambulancedienst. Op 2 april 2010 heeft hij het college laten weten dat hij bezig is met een aanvraag voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 14 juni 2010 heeft het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) aan appellant met ingang van 31 mei 2010 een Wajong-uitkering toegekend van € 1.055,75 bruto per maand. Nadat appellant het college daarvan eind juli 2010 in kennis had gesteld, heeft het college aan appellant bij brieven van 3 en 27 augustus 2010 verzocht gegevens over de Wajong-uitkering over te leggen, waaronder het toekenningsbesluit. Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft het college het werkleeraanbod van appellant ingetrokken, nadat appellant had meegedeeld niet langer mee te willen werken aan een re-integratietraject. Omdat nadere gegevens van appellant over zijn Wajong-uitkering uitbleven heeft het college vervolgens bij besluit van
27 augustus 2010 de betaling van de inkomensvoorziening van appellant met ingang van
1 augustus 2010 stopgezet. Bij besluit van 14 oktober 2010 heeft het college de inkomensvoorziening met ingang van diezelfde datum beëindigd.
1.2.
Bij besluit van 17 maart 2011, zoals aangevuld bij besluit van 31 maart 2011, heeft het college de inkomensvoorziening van appellant over de periode van 1 juni 2010 tot en met
31 juli 2010 ingetrokken en de gemaakte kosten van de inkomensvoorziening over die periode tot een bedrag van bruto € 1.917,48 van hem teruggevorderd. Voorts is bij brief van 18 april 2011 aangekondigd dat aan appellant een maatregel van 20% verlaging gedurende een maand zal worden opgelegd indien hem binnen twaalf maanden na 18 april 2011 weer een inkomensvoorziening wordt toegekend. Aan deze besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door pas eind juli 2010 het college ervan in kennis te stellen dat hem met ingang van 1 juni 2010 een Wajong-uitkering is toegekend en inmiddels ook is uitbetaald.
1.3.
Bij besluit van 18 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 17 en 31 maart 2011 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de brief van
18 april 2011 niet-ontvankelijk verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze ziet op de intrekking en de terugvordering. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat appellant de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, dat het college zelf informatie had kunnen inwinnen bij het UWV, dat het college de inkomensvoorziening onnodig heeft laten doorlopen en te lang heeft gewacht met het nemen van een terugvorderingsbesluit, dat de terugvordering ten onrechte is gebruteerd, dat het college aannemelijk moet maken dat appellant geen vergoeding heeft ontvangen voor de door hem verrichte werkzaamheden en dat het college niet meer van hem mag terugvorderen dan het daadwerkelijk geleden nadeel.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het college aan appellant over de in geding zijnde periode ambtshalve en met zijn instemming een inkomensvoorziening heeft verleend en dat het UWV hem nadien over diezelfde periode een Wajong-uitkering heeft toegekend en uitbetaald.
Schending van de inlichtingenverplichting
4.2.
Uit de gedingstukken kan afdoende worden afgeleid dat appellant het college niet eerder dan eind juli 2010 in kennis heeft gesteld van het feit dat hem door het UWV een Wajong-uitkering is toegekend. Nu appellant deze uitkering reeds bij besluit van 14 juni 2010 was toegekend, en het hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat dit van invloed kon zijn op zijn recht op inkomensvoorziening, heeft hij vanaf 15 juni 2010 de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Hieraan kan niet afdoen dat hij al eerder aan het college had doorgegeven “dat hij bezig was een Wajong-aanvraag in te dienen” en evenmin dat hij later heeft aangegeven “dat hij deze uitkering binnenkort gaat krijgen”. In het kader van een juiste toepassing en uitvoering van de WIJ dient de betrokkene het bestuursorgaan tijdig en volledig te informeren over al wat van invloed kan zijn op (de omvang van) het recht op een inkomensvoorziening. Daaronder valt in ieder geval ook het gegeven dat een besluit inzake toekenning van een Wajong-uitkering is ontvangen. Appellant heeft nog aangevoerd dat hij niet verplicht was om uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van de toekenning van de Wajong-uitkering maar dat het college zelfstandig onderzoek had moeten instellen door daarover bij het UWV navraag te doen. Daartoe heeft hij verwezen naar de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen. Deze beroepsgrond treft echter geen doel, reeds omdat de in de tweede volzin van artikel 44, eerste lid, van de WIJ genoemde ministeriële regeling, waarin concreet zou worden opgesomd welke gevallen van de inlichtingenverplichting zijn uitgezonderd, naderhand niet is vastgesteld. Dit betekent dat de op appellant rustende inlichtingenverplichting onverkort van toepassing is gebleven. Het voorgaande brengt mee dat het college bevoegd was de inkomensvoorziening van appellant zowel over de periode van 15 juni 2010 tot en met 31 juli 2010 (wegens schending van de inlichtingenverplichting anders dan in een aanvraagsituatie) als over de voorafgaande periode van 1 tot en met 14 juni 2010 (wegens anderszins ten onrechte betaalde inkomensvoorziening) met toepassing van artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ in te trekken.
Terugvordering
4.3.
Appellant heeft zich onder verwijzing naar de zogenoemde zesmaanden-jurisprudentie erop beroepen dat het college in maart 2011 niet meer gerechtigd was een terugvorderingsbesluit te nemen en dat de inkomensvoorziening onnodig is doorgelopen. Deze beroepsgronden treffen geen doel. Allereerst kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 27 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2072) bij vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting in beginsel geen beroep worden gedaan op de zesmaanden-jurisprudentie. Voor zover geen schending van de inlichtingenverplichting aan de orde is geldt het volgende. De zesmaanden-jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Raad van
6 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0707) houdt - kort gezegd - in dat een bestuursorgaan de bevoegdheid tot terugvordering niet mag uitoefenen voor zover de terugvordering betrekking heeft op bedragen die zijn betaald meer dan zes maanden na de ontvangst van een signaal waaruit het bestuursorgaan had moeten afleiden dat ten onrechte of te veel wordt uitbetaald. Het college heeft eind juli 2010 het signaal ontvangen dat appellant een Wajong-uitkering was verleend, waarna het de uitbetaling van de inkomensvoorziening per 1 augustus 2010 heeft stopgezet en nadien met ingang van dezelfde datum heeft beëindigd. De terugvordering heeft dus geen betrekking op bedragen die zijn betaald meer dan zes maanden na het van appellant ontvangen signaal. Reeds hierom kan de terugvordering dan ook niet worden gematigd op basis van de zesmaanden-jurisprudentie.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2014.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) C.E.M. Paddenburgh
HD