ECLI:NL:CRVB:2013:2985
12/2679 AW, 12/4331 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 april 2012, 11/3011 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Minister van Defensie (appellant) [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. E. Weijer, advocaat, een verweerschrift ingediend. Appellant heeft daarop gereageerd. Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 25 mei 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Betrokkene heeft daarop gereageerd. Betrokkene heeft nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud-Kralt, drs. A.J. van der Kaay, mr. A.C. Beck en M.F. Linovitska. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Weijer. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene was sinds 2000 werkzaam bij het ministerie van Defensie in de functie van[naam functie]. Op 31 juli 2006 is zij uitgevallen wegens ernstige psychische klachten. 1.2. Vanaf januari 2007 heeft betrokkene diverse werkzaamheden verricht in het kader van re-integratie. Van 6 augustus 2007 tot 21 augustus 2008 was zij met het oog op interne re-integratie geplaatst bij het Dienstencentrum re-integratie. Van augustus 2007 tot april 2008 heeft zij werkzaamheden verricht bij het kenniscentrum van het Centraal Militair Hospitaal. Een vaste functie voor betrokkene bleek daar niet mogelijk. Betrokkene is vanaf april 2008 nog enige malen geattendeerd op mogelijke functies. Dit heeft niet tot een daadwerkelijke herplaatsing geleid. Sinds april 2008 heeft zij ook geen andere, bovenformatieve, werkzaamheden verricht. 1.3. In het kader van de zogenoemde re-integratie tweede spoor is vanaf december 2008 tot februari 2010 Bureau Hoogendijk ingeschakeld, wederom zonder succes. Wel heeft betrokkene intussen een opleiding tot loopbaanadviseur afgerond. Op 13 oktober 2010 is met betrokkene besproken dat binnen Defensie geen mogelijkheden waren om haar te plaatsen als loopbaanadviseur, omdat uitsluitend senior functies beschikbaar waren en betrokkene daarvoor vanwege haar gebrek aan ervaring niet in aanmerking zou komen. Betrokkene is vervolgens voor externe bemiddeling aangemeld bij het externe re-integratiebureau USG Restart. 1.4. Bij besluit van 9 november 2010 (ontslagbesluit) is aan betrokkene met ingang van 1 maart 2011 ontslag verleend wegens blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte (artikel 121, eerste lid, onder f, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard)). Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 8 augustus 2011 (bestreden besluit). 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, geoordeeld dat appellant onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Daarom is niet voldaan aan de in artikel 121, derde lid, van het Bard gestelde voorwaarde, dat ziekte-ontslag slechts kan plaatsvinden indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen het gezagsbereik van appellant andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden. De rechtbank heeft daarom het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Met het oog op het verrichten van aanvullend onderzoek heeft de rechtbank appellant opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Voorts zijn bepalingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten. 3.1. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 mei 2012 heeft appellant het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij overwogen dat al het mogelijke in het werk is gesteld om betrokkene voor een passende functie in aanmerking te brengen. Hij heeft bestreden dat betrokkene onvoldoende ondersteund is door de re-integratiebegeleider. Benadrukt is dat het ministerie een vaste formatieve ruimte heeft en dat het daardoor niet mogelijk is om ten behoeve van betrokkene met taken te schuiven. 3.2. Nu met het besluit van 25 mei 2012 niet is tegemoetgekomen aan betrokkene, strekt het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, zich mede uit tot dit nieuwe besluit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Het geding spitst zich toe op de vraag of de voor ziekte-ontslag gestelde voorwaarde is vervuld, dat het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om betrokkene binnen het gezagsbereik van de appellant andere arbeid aan te bieden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 14 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4833) moet het herplaatsingsonderzoek zorgvuldig worden uitgevoerd, waarbij elke reële mogelijkheid tot herplaatsing moet worden aangegrepen. Die eis gaat niet zover dat een niet bestaande functie voor betrokkene in het leven moet worden geroepen. 4.2. De rechtbank heeft haar conclusie, dat onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn geleverd, in hoofdzaak gebaseerd op twee rapportages en een deskundigenoordeel van arbeidsdeskundigen, gedateerd 25 juni 2008, 28 september 2009 en 3 augustus 2010. Naar aanleiding van het tweede rapport is aan de werkgever een loonsanctie van een jaar opgelegd. Hoewel, zoals appellant heeft betoogd, vraagtekens kunnen worden gezet bij de wijze waarop met name het derde onderzoeksverslag tot stand is gekomen, ziet de Raad geen reden om de conclusies van de rapporten voor onjuist te houden. 4.3. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft appellant gesteld dat betrokkene een onwelwillende houding had bij het solliciteren op diverse functies die onder haar aandacht zijn gebracht. De Raad is echter van oordeel dat bij de mogelijke vacatures die appellant in dit verband heeft genoemd veeleer sprake is geweest van begrijpelijke aarzelingen aan de kant van betrokkene, gelet op eerdere psychische klachten. 4.3.1. Zo acht de Raad het voorstelbaar dat betrokkene besloten heeft niet actief te solliciteren op een mogelijke vacature bij de loopbaanafdeling van de Koninklijke Marechaussee, nadat zij van de verzekeringsarts Van den Enden te horen had gekregen dat de sfeer daar, gelet op haar eerdere psychische problemen, niet goed voor haar zou zijn. Verder is het begrijpelijk, dat betrokkene er problemen mee had dat zij voor de haar later aangereikte mogelijke functie als loopbaanadviseur een assessment zou moeten doen ten overstaan van oud-collega’s. Dat appellant niet bereid was voor betrokkene een andere oplossing te treffen, brengt nog niet mee dat aan betrokkene ter zake een verwijt van onwelwillendheid te maken zou zijn. 4.3.2. De keuze om niet de solliciteren op een vacature bij de School voor Leidinggeven en Opleidingskunde in Budel is eveneens te billijken, nu betrokkene er vanuit is gegaan dat de reistijd voor haar per trein en fiets vier uur per dag zou bedragen. De Raad heeft geen bevestiging kunnen vinden voor de ter zitting door appellant naar voren gebrachte stelling, dat die reistijd slechts drie uur zou hebben bedragen. Bovendien is niet gebleken dat appellant betrokkene in enig opzicht tegemoet heeft willen komen om de gevolgen van deze lange reistijd te compenseren, ofschoon daar blijkens de Nota Herzien Re-integratiebeleid Defensiepersoneel (Nota) wel mogelijkheden toe waren. Bovendien was in Budel sprake van een ontmoedigend contact met de leidinggevende, waarbij deze zijn organisatie volgens betrokkene als een zinkend schip heeft voorgesteld, waaruit betrokkene heeft geconcludeerd dat de sfeer ter plaatse niet goed voor haar zou zijn. Ook in dit geval kan bezwaarlijk van een onwelwillende opstelling bij betrokkene worden gesproken. 4.4. Om haar herplaatsingsmogelijkheden te vergroten, is betrokkene in 2009 op eigen initiatief en aanvankelijk ook op eigen kosten een opleiding tot loopbaanadviseur gaan volgen. Ze heeft deze met goed gevolg voltooid.