Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2013-11-22
ECLI:NL:CRVB:2013:2537
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,564 tokens
Inleiding
12/4274 AOW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
17 juli 2012, 11/5912 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)
[Betrokkene] te [woonplaats], Zuid-Afrika (betrokkene)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. J. Nijenhuis, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellant heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg. Namens betrokkene zijn verschenen, mr. Nijenhuis, G.J.B. [K.] en D.A. [F.].
De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend. Bij brief van 7 mei 2013 heeft mr. Nijenhuis een aantal vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 30 augustus 2013. Appellant heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg. Namens betrokkene zijn verschenen, mr. Nijenhuis, G.J.B. [K.] en D.A. [F.].
Overwegingen
1.1. Betrokkene, geboren [in] 1941, is in december 2005 of januari 2006 met zijn echtgenote naar Nederland gekomen. Op 24 januari 2006 heeft hij zich laten inschrijven in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA). Betrokkene was door de [naam geloofsgemeenschap] geloofsgemeenschap in Zuid-Afrika uitgezonden om in Nederland als voorganger van deze geloofsgemeenschap op te treden. Betrokkene is in februari 2010 teruggekeerd naar Zuid-Afrika.
1.2. Appellant heeft aan betrokkene met ingang van oktober 2006 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 2% van het volledige pensioen. Bij besluit van 18 april 2011 heeft appellant betrokkene bericht dat deze toekenning onjuist was omdat betrokkene nimmer verzekerd is geweest ingevolge de AOW. Het aan betrokkene toegekende ouderdomspensioen is bij dit besluit met ingang van mei 2011 ingetrokken.
1.3. Bij besluit van 4 november 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 18 april 2011 gegrond verklaard. Appellant heeft zijn standpunt dat betrokkene nimmer verzekerd is geweest ingevolge de AOW gehandhaafd, maar heeft besloten een afbouwregeling toe te passen. Over de periode mei 2011 tot en met oktober 2011 is het ouderdomspensioen doorbetaald, van november 2011 tot en met april 2012 is de helft betaald en met ingang van april (lees: mei) 2012 is het pensioen beëindigd.
2.
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 18 april 2011 herroepen. Zij heeft daartoe overwogen dat betrokkene vanaf zijn inschrijving in de GBA op 24 januari 2006 tot zijn 65e verjaardag [in] 2006 als ingezetene moet worden aangemerkt en daarom gedurende die periode verzekerd was ingevolge de AOW.
3.1.
Appellant heeft zich (ook) in hoger beroep op het standpunt gesteld dat betrokkene in de onder 2 genoemde periode (nog) geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en dat hij in die periode derhalve geen ingezetene was.
3.2.
Betrokkene heeft dit standpunt van appellant bestreden en voorts verwezen naar hetgeen in bezwaar en beroep naar voren is gebracht. In die fase had betrokkene aangevoerd in elk geval voor de AOW verzekerd te zijn geweest, omdat hij ter zake van in dienstbetrekking verrichte arbeid toen aan de loonbelasting onderworpen was.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat betrokkene van 24 januari 2006 tot zijn 65e verjaardag [in] 2006 verzekerd is geweest ingevolge de AOW.
4.2.
Artikel 6, eerste lid, van de AOW luidt als volgt:
“Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en
ingezetene is;
geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid
aan de loonbelasting is onderworpen.”
4.3.
Nu uit de rechtspraak van de Raad voortvloeit dat bij een vestiging in Nederland terwijl niet duidelijk is of die vestiging als definitief is bedoeld, in het algemeen in ieder geval niet reeds vanaf de datum van vestiging ingezetenschap wordt aangenomen, bestaat aanleiding allereerst te beoordelen of betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW verzekerde is geweest gedurende het in geschil zijnde tijdvak.
4.4.
Van in dienstbetrekking verrichte arbeid kan sprake zijn bij werkzaamheden in een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Voor de vaststelling of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad. Verwezen wordt naar de arresten van 13 juli 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA6231) en 25 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP3887). Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het BW, waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst dient te worden bepaald of de overeenkomst behoort tot een van de in de wet geregelde bijzondere overeenkomsten. Hierbij is niet één enkel kenmerk beslissend, maar dienen de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderlinge verband te worden bezien.
4.5.
De [naam geloofsgemeenschap] geloofsgemeenschap heeft diverse vestigingen in verschillende landen in onder meer Afrika en Europa. Aan het hoofd van de geloofsgemeenschap staat een president in Zuid-Afrika. Verder is er een “voorganger Europa” die de vestigingen in diverse Europese landen - waaronder die in Nederland - onder zijn hoede heeft. De Nederlandse vestiging van de geloofsgemeenschap staat sinds 1962 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als kerkgenootschap. Verder is er in Nederland een [naam stichting] Stichting, die het onroerend goed van de geloofsgemeenschap hier te lande beheert. Betrokkene is door de leiding van de [naam geloofsgemeenschap] geloofsgemeenschap te Zuid-Afrika voor een aanvankelijk onbekende termijn naar Nederland gezonden om hier te lande als voorganger van de Nederlandse vestiging van het kerkgenootschap op te treden. Door de Nederlandse vestiging van dit genootschap is voor betrokkene voor zijn komst naar Nederland een verblijfsvergunning en een tewerkstellingsvergunning gevraagd en verkregen. Betrokkene is gedurende zijn verblijf in Nederland als voorganger van de [naam geloofsgemeenschap] gemeente opgetreden. Hij leidde de gebedsbijeenkomsten, die iedere ochtend en avond worden gehouden, de kerkdiensten en andere activiteiten van de geloofsgemeenschap. Ieder dag had betrokkene ook overleg met het bestuur van de geloofsgemeenschap. Verder was betrokkene gehuisvest in het geloofshuis van de geloofsgemeenschap, waar hij beschikte over een eigen afgescheiden en afsluitbare woonruimte met allerlei voorzieningen, waaronder een logeerruimte en een kantoorruimte. De geloofsgemeenschap voorzag naast de huisvesting ook in de voeding van betrokkene, betaalde zijn ziektekostenverzekering, andere verzekeringen en eventuele ziektekosten en stelde een mobiele telefoon en zo nodig een auto ter beschikking.
4.6.
Voorop moet worden gesteld dat niet is gebleken dat de rechtsverhouding tussen betrokkene en de [naam geloofsgemeenschap] gemeente in Nederland als een eigen rechtsverhouding aangemerkt moet worden, die beheerst wordt door een kerkelijk statuut of een andere kerkelijke regeling, en om die reden niet aangemerkt zou kunnen worden als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 e.v. van het BW. Verder blijkt uit de hiervoor weergegeven activiteiten van betrokkene duidelijk dat hij persoonlijk arbeid heeft verricht voor de [naam geloofsgemeenschap] gemeente in Nederland. Hij ontving daarvoor weliswaar geen loon, anders dan enig zakgeld, maar hij genoot diverse hiervoor genoemde voorzieningen in natura, die tezamen beschouwd aangemerkt kunnen worden als loon voor de te verrichten arbeid. Resteert derhalve de vraag of sprake was van een gezagsverhouding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven;
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.652,-.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en
H.J. Simon als leden in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2013.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) D.E.P.M. Bary
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.
ew