Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2013-10-18
ECLI:NL:CRVB:2013:2108
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,252 tokens
Inleiding
11/3708 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 mei 2011, 11/208 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats](appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. J.C. Walker, advocaat.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend op 21 januari 2013 en op 11 maart 2013.
Het Uwv heeft gereageerd met een rapport van 12 maart 2013.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Walker. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.J. Reith.
Overwegingen
1.
Appellant heeft gewerkt als vrachtwagenchauffeur in drieploegendienst. Op 15 oktober 2008 heeft hij zich, terwijl hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld in verband met sterk toegenomen klachten van oorsuizen (tinnitus), slaapproblemen, concentratie- en geheugenproblemen en hierdoor ook psychische klachten. Bij besluit van 13 augustus 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat voor hem geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 13 oktober 2010, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 13 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe overwogen dat er geen aanleiding is om te concluderen dat de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Verder heeft de rechtbank geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 juli 2010. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor een ernstige concentratie- en/of geheugenstoornis die moet leiden tot meer beperkingen dan aangenomen volgens de rechtbank. Voor de vermoeidheidsklachten is geen medisch objectieve verklaring, gelet op de brief van GZ-psycholoog Roze van 15 juli 2009. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen. De voorgehouden functies van machinaal metaalbewerker, productiemedewerker industrie met functienummer 8142-0788-017 en wikkelaar vormen naar het oordeel van de rechtbank een toereikende arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
3.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat sprake is van onzorgvuldig medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts nu deze helemaal niet is ingegaan op de door appellant gewenste zwaardere beperkingen, met name ten aanzien van de concentratie, ten gevolge van tinnitus en slaapgebrek terwijl dit uit de overgelegde informatie van GGZ/de Gelderse Roos van 15 juli 2009, het rapport van de verzekeringsarts in het kader van de Ziektewetbeoordeling van 21 januari 2009 en de in bezwaar ingediende brief van de echtgenote van appellant duidelijk naar voren komt. Verder heeft appellant stukken ingestuurd van zijn behandelende psychiater drs. E.M. van Fenema, gedateerd 5 april 2012, waarin als diagnose is vermeld een recidiverende depressieve episode, matig van ernst en een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Deze stukken dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat. Ook uit de ingediende brief van ziekenhuis Gelderse Vallei, gedateerd 12 december 2012, waarin wordt gesproken van de diagnose Mild Cognitive Impairment (MCI) en de brief van audioloog De Laat van 14 december 2011 blijkt dat sprake is van ernstige concentratieproblemen. Verder heeft appellant gewezen op de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 januari 2012 (ECLI:NL:RBALK:2012:217) inzake de aanscherping van de “Basisinformatie CBBS” in juni 2009 op de beoordelingspunten 1.1 tot en met 1.8 van de FML. In deze uitspraak is overwogen dat het Uwv de wettelijke systematiek miskent door als uitgangspunt te nemen dat op bovengenoemde beoordelingspunten in beginsel slechts ernstige stoornissen tot beperkingen kunnen leiden en dat sprake is van een rechtens onaanvaardbare invulling van wettelijke begrippen. De rechtbank Alkmaar heeft geoordeeld dat de in de Basisinformatie CBBS neergelegde gedragsregel op dit punt het wettelijk kader te buiten gaat. Appellant acht deze uitspraak relevant aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft overwogen dat door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 15 maart 2011 afdoende is toegelicht dat geen sprake is van een ernstige concentratie- of geheugenstoornis die moet leiden tot meer beperkingen. Verder is appellant van mening dat de voorgehouden functies niet geschikt zijn gelet op de belasting op concentratie, verdelen/vasthouden van de aandacht, herinneren en samenwerking (monteur) en de hoofdbewegingen.
4.1.
De Raad overweegt het volgende.
4.2.
De rechtbank heeft op juiste wijze de door appellant in eerste aanleg aangevoerde gronden beoordeeld en met juistheid aangegeven waarom deze gronden niet slagen. Zoals terecht door de rechtbank is overwogen, blijkt uit de informatie van GZ-psycholoog Roze van de Gelderse Roos van 15 juli 2009 dat appellant met de voorgeschreven slaapmedicatie tevreden is en dat er geen sprake meer is van een psychische ziekte of stoornis en dat de behandeling per 15 juli 2009 is afgesloten. Appellant heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten, met name ten aanzien van het verdelen en vasthouden van de concentratie, geheugen en vermoeidheid, maar onvoldoende medische onderbouwing ingediend waaruit valt op te maken dat zijn beperkingen op deze aspecten zijn onderschat. De in hoger beroep ingediende brief van psychiater Fenema van 5 april 2012 ziet niet op de datum in geding maar op een periode ver na deze datum gelegen en bovendien valt hieruit op te maken dat de depressieve stoornis en verwerkingsproblematiek van appellant in belangrijke mate samenhangen met de, na de datum in geding ontstane, perikelen rond de WIA-uitkering. In de in hoger beroep ingediende brief van de Afdeling klinische geriatrie van ziekenhuis Gelderse Vallei te [woonplaats]van 12 december 2012 wordt de diagnose MCI genoemd door A. Janse, klinisch geriater. In de door appellant bijgevoegde informatie ten aanzien van MCI (afkomstig van www.alzheimercentrum.nl), staat vermeld dat deze aandoening “in het algemeen beperkingen kan opleveren ten aanzien van geheugen, taal, moeite met overzicht houden, eenvoudige handelingen verrichten”. Deze stukken geven onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling, aangezien de diagnose MCI pas ruim twee jaar na de datum in geding is gesteld en bovendien de geriater niet is ingegaan op de concrete beperkingen die appellant hiervan ondervindt.
4.3.
Met de klachten van appellant ten aanzien van het vasthouden en verdelen van de aandacht is in de FML rekening gehouden door middel van een toelichting (“niet excessief”) van de verzekeringsarts op de beoordelingspunten 1.1 en 1.2. Voorts is ten aanzien van het beoordelingspunt 1.3 (herinneren) een beperking vastgesteld. De verzekeringsarts heeft, op grond van de voorhanden medische informatie en het dagverhaal van appellant, de functionele mogelijkheden ten aanzien van de rubrieken I en II vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapporten van 24 november 2010 en van 15 maart 2011 benadrukt dat in de FML is opgenomen dat appellant ten aanzien van vasthouden en verdelen van de aandacht belastbaar is tot maximaal de normaalwaarde en niet daarboven, onder de toelichting dat nadere beperkingen op deze punten niet noodzakelijk zijn aangezien geen sprake was van zeer ernstige stoornissen. Hierbij heeft hij erop gewezen dat de CBBS-normaalwaarden zijn gebaseerd op het niveau van functioneren waartoe een gezond persoon van 16 tot 65 jaar (de beroepsbevolking) minimaal in staat is. Voor zover appellant betwist dat de waardering “normaal” in de FML overeenkomt met de bovengenoemde minimale waarde verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak op dit punt (onder andere de uitspraken van 9 november 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR4719 en van 5 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG5758).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2013.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) G.J. van Gendt
IvR