Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2009-12-10
ECLI:NL:CRVB:2009:BK6371
Bestuursrecht
09/2051 CSV 09/2355 CSV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: 1. [Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], (hierna: [Appellante B.V.]) 2. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv) tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 maart 2009, 08/1095 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het Uwv Datum uitspraak: 10 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft L. van den Heuvel, werkzaam bij Robidus Adviesgroep B.V., hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld. Beide partijen hebben van verweer gediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg. nrs. 09/3770 tot en met 09/3778, 09/3780 tot en met 09/3799, 09/2022, 09/2052 en 09/2236, plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Voor appellante zijn verschenen L. van den Heuvel, voornoemd, en [naam B.] [naam L.L.M.], eveneens werkzaam bij Robidus Adviesgroep B.V. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Segers, J. van der Stoop en C. Meijer, allen werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst en wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in deze gedingen aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), zoals die luidden ten tijde hier van belang. 2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. 2.1. Op 8 december 2006 heeft Arbeidskundig Projectburo [naam projectbureau] namens appellante een aanvraag korting en vrijstelling op de basispremie als bedoeld in artikel 77b van de WAO ingediend voor het premiejaar 2000. Bij besluit van 15 december 2006 heeft het Uwv deze aanvraag volledig gehonoreerd en appellante voor het premiejaar 2000 een premievrijstelling en korting toegekend van € 10.061,67. 2.2. Bij brief van 10 december 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat is gebleken dat bij de afhandeling van de aanvraag onjuiste procedures zijn toegepast en dat is besloten om aangifte te doen bij Justitie. De herbeoordeling van de aanvraag van 8 december 2006 heeft geleid tot de correctienota van 7 december 2007 ter hoogte van € 6.701,80. 2.3. Bij besluit van 23 mei 2008 heeft het Uwv - voor zover thans nog van belang - het namens appellante gemaakte bezwaar tegen de correctienota van 7 december 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de correctienota materieel juist is, en dat noch het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de CSV noch de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de weg staan aan het ten nadele van appellante terugkomen van het oorspronkelijke besluit van 15 december 2006. 3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen het besluit van 23 mei 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft overwogen dat de aanvraag voor het premiejaar 2000 op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid is ingewilligd en dat, nu de aanvraag is ingediend en het toekenningsbesluit is genomen na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de CSV, dit artikellid niet van toepassing is op die toekenning en de op grond daarvan verrichte betalingen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het Uwv zich in het kader van het buitenwettelijk beleid inzake het premiejaar 2000 beroepen op het algemene rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald mag worden teruggevorderd. 4.1. Appellante bestrijdt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Appellante betoogt dat voor de redenering van de rechtbank ten aanzien van het premiejaar 2000 geen steun kan worden gevonden in regelgeving of rechtspraak. 4.2. Het Uwv bestrijdt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 23 mei 2008 is vernietigd. Het Uwv betoogt dat sprake is van een bijzonder geval, waarbij toepassing van artikel 13, eerste lid, van de CSV zozeer in strijd komt met het ongeschreven recht, dat toepassing van artikel 13, eerste lid, van de CSV geen rechtsplicht meer kan zijn. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.1. Ingevolge artikel 77b, eerste tot en met het vierde lid, van de WAO, zoals dit artikel gold tot 1 januari 2002, heeft de werkgever onder bepaalde voorwaarden recht op korting op, of vrijstelling van, de basispremie WAO. 5.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de CSV geschiedt de vaststelling van de door de werkgever verschuldigde premie, alsmede de invordering daarvan, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. 5.3. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de CSV wordt premie niet meer vastgesteld indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is geworden, zijn verstreken. 5.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient een besluit tot premievaststelling in het kader van artikel 77b van de WAO aangemerkt te worden als een besluit tot premievaststelling in de zin van artikel 11, eerste lid, van de CSV, waarbij artikel 13, eerste lid, van de CSV leidend is. 5.5. Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv, door alsnog bij besluit van 7 december 2007 nader (WAO-)premie vast te stellen over het jaar 2000, de in artikel 13, eerste lid, van de CSV genoemde termijn van vijf jaren heeft overschreden. 5.6. De Raad kan zich niet verenigen met het standpunt van de rechtbank dat de toekenning over het jaar 2000 was gebaseerd op buitenwettelijk begunstigend beleid en dat de toegekende korting en vrijstelling om die reden aan de toepassing van artikel 13, eerste lid, van de CSV zouden zijn onttrokken. De door de rechtbank bedoelde omstandigheid doet er niet aan af dat de bevoegdheid tot het (alsnog) vaststellen van korting op, of vrijstelling van, de premie aan artikel 11, eerste lid, van de CSV wordt ontleend. De onder 5.4 omschreven vaste rechtspraak is derhalve op de korting en vrijstelling over het premiejaar 2000 onverkort van toepassing. 5.7. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv voor het premiejaar 2000 artikel 13, eerste lid, van de CSV buiten toepassing heeft mogen laten. In dit verband heeft het Uwv aangevoerd dat toepassing van dit artikellid geen rechtsplicht meer kon zijn vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval, zeker in onderling verband bezien. Die omstandigheden bestaan vooral hierin dat ten onrechte en tot een te hoog bedrag korting en vrijstelling is toegekend, dat dit het gevolg is van het onbevoegd en strafrechtelijk laakbaar misbruik van computersystemen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (door een oud-medewerker van het Uwv), dat appellante - als zij slechts een marginale toets zou hebben uitgevoerd in de eigen administratie - had kunnen en moeten begrijpen dat een volledige honorering van de aanvraag van 8 december 2006 niet juist kon zijn, en dat bovendien - doordat de aanvraag is ingediend tegen het einde van de verjaringstermijn van de CSV - het Uwv een herstelmogelijkheid is ontnomen omdat de wetgever de onderhavige situatie niet heeft onderkend. 5.8.