Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2006-12-13
ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6119
Bestuursrecht
05/6044 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 29 augustus 2005, 04/1082, LJN AU2411, (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 13 december 2006. I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2006. Voor appellant is verschenen mr. Koelewijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheid (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. 2.1. Appellant is van 1 juli 2001 tot 2 januari 2003 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij [de werkgever] (hierna: de werkgever) te ’s-Heerenberg. Appellant heeft de werkgever op 26 maart 2003 doen dagvaarden terzake van onder meer achterstallig loon, vakantietoeslag en vergoeding van niet-genoten vakantiedagen. De kantonrechter heeft de werkgever bij vonnis van 14 april 2003 bij verstek veroordeeld tot betaling van een groot deel van de vordering alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, onder b en c, van het Burgerlijk Wetboek ten bedrage van € 663,--, volgens de dagvaarding berekend conform de kantonrechtersaanbevelingen gebaseerd op het rapport Voor-werk II van de werkgroep van de Nederlandse Vereniging voor rechtspraak. Daarnaast is de werkgever veroordeeld in de proceskosten van appellant, bestaande uit € 94,24 aan explootkosten, € 162,-- aan vast recht en € 325,-- aan salaris gemachtigde. Als gemachtigde in die procedure trad op mr. R.T. Kurvers, werkzaam bij FNV Ledenservice. Appellant had krachtens zijn lidmaatschap van de toenmalige Bouw- en Houtbond FNV recht op rechtsbijstand van FNV Ledenservice. 2.2. De werkgever is op 17 april 2003 in staat van faillissement verklaard. Appellant heeft het Uwv verzocht om met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW de achterstallige betalingsverplichtingen van de werkgever, terzake van loon c.a. alsmede de buitengerechtelijke incasso- en de proceskosten waarin de werkgever was veroordeeld, over te nemen. 2.3. Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het Uwv de achterstallige betalingen aan loon e.d. overgenomen. Het Uwv besloot daarbij tevens de buitengerechtelijke incasso- en de proceskosten niet over te nemen. 2.4. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar heeft appellant bij brief van 10 augustus 2004 beroep ingesteld. 2.5. Bij zijn beslissing van 12 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2004 ongegrond verklaard. 3. Gelet op de standpunten van partijen is voor het geding in hoger beroep nog slechts van belang het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak als hierna onder 3.1. en 3.2. aangegeven. 3.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant, nu het Uwv bij besluit van 12 augustus 2004 alsnog op het bezwaar heeft beslist, geen procesbelang bij dat beroep meer heeft. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot betaling van de proceskosten die appellant heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep betreffende het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. De rechtbank heeft hierbij de zwaarte van de zaak aangemerkt als zeer licht en de wegingsfactor bepaald op 0,25. 3.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd over te nemen de buitengerechtelijke incassokosten ad € 663,-- en proceskosten ad € 581,24, waartoe de werkgever is veroordeeld. De rechtbank overwoog dat deze kosten, voor zover betrekking hebbende op de bedragen aan loon e.d. die voor overneming op grond van Hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komen, naar vaste jurisprudentie dienen te worden aangemerkt als kosten die de werkgever in verband met de dienstbetrekking rechtens is verschuldigd. Volgens de rechtbank brengen echter aard en strekking van Hoofdstuk IV van de WW, welke regeling wordt gekenschetst als een laatste redmiddel voor de werknemer om het niet betaalde loon c.a. te verkrijgen, met zich mee dat overneming van door de werkgever verschuldigde kosten door het Uwv ‘niet (langer) aan de orde is indien en voor zover de werknemer die kosten op betrekkelijk eenvoudige wijze van een derde kan verkrijgen dan wel die kosten niet ten laste van de werknemer komen omdat een derde die kosten feitelijk voor zijn rekening neemt of zal nemen.’ Toegespitst op de onderhavige kosten is voor de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat de in de civiele procedure gemaakte proceskosten en buitengerechtelijke kosten niet bij appellant in rekening zijn of worden gebracht en dat deze kosten feitelijk door de vakorganisatie van appellant worden gedragen. Dat appellant uit hoofde van zijn lidmaatschap gehouden is mee te werken aan verhaal van deze kosten op derden, doet daaraan volgens de rechtbank niet af. Gelet hierop staan aard en strekking van Hoofdstuk IV van de WW volgens de rechtbank aan overneming van de betreffende kosten in de weg. 4.1. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank bij haar oordeel onder 3.1. de wegingsfactor ten onrechte op zeer licht heeft gesteld. 4.2. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het deel van de buitengerechtelijke incassokosten dat betrekking heeft op bedragen aan loon c.a., alsook de proceskosten naar vaste jurisprudentie van de Raad in aanmerking komen voor overneming in het kader van hoofdstuk IV van de WW. Hij stelt dat appellant door middel van contributie betaalt voor verlening van rechtsbijstand. Hij wijst er op dat in artikel 12 van de Algemene Voor-waarden voor Rechtshulp is opgenomen dat het vakbondslid, teneinde in aanmerking te komen voor rechtsbijstand, verplicht is de kosten te verhalen op de tegenpartij of een derde. Dat in deze systematiek besloten ligt dat de FNV de kosten voorschiet en dat deze later worden verhaald, staat volgens appellant niet in de weg aan de mogelijkheid tot overneming in het kader van hoofdstuk IV van de WW. Appellant heeft tenslotte benadrukt dat bedoelde kosten in het verleden altijd zijn overgenomen. Ter zitting heeft appellant er nog op gewezen dat het standpunt van het Uwv ook betekent dat de toegewezen kosten van rechtsbijstand die wordt verleend ingevolge een rechtsbijstands-verzekering, niet voor overneming in aanmerking komen, hetgeen leidt tot een willekeurige uitvoeringspraktijk. 5. De Raad overweegt als volgt. 5.1. Vaststaat dat door het Uwv niet tijdig is beslist op het bezwaar van appellant. Dat is door het Uwv zonder meer erkend. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer zijn uitspraak van 22 mei 2002, LJN AE5912, worden in zo’n geval de proceskosten vergoed met bepaling van de wegingsfactor als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht op in beginsel 0,25 (zeer licht). De Raad ziet geen reden waarom in het geval van appellant geen recht is gedaan aan de zwaarte van zaak en dat een zwaardere wegingsfactor zou moeten worden gehanteerd. Dat het Uwv (ook) niet tijdig op de aanvraag heeft beslist doet daaraan niet af.