Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-04-06
ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8214
98/8576 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, appellant, en A te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de president van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 12 november 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Appellant heeft daarbij verzocht om versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Namens gedaagde heeft mr L.J. van Rooijen, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend. Het geding is gevoegd behandeld met het geding, nr 98/7798 NABW, ter zitting van de Raad op 23 februari 1999. Aldaar is voor appellant verschenen mr E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Van Rooijen, voornoemd. Na de gevoegde behandeling zijn de gedingen weer gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan. II. MOTIVERING Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden. Nadat gedaagde door haar echtgenoot C (hierna: C) was verlaten, is haar met ingang van 25 april 1983 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet toegekend naar de norm voor een éénoudergezin. Sedert 1 december 1996 ontvangt zij een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Gedaagde en C zijn niet wettig gescheiden. Naar aanleiding van een anonieme tip is onderzoek gedaan door de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de rechtmatigheid van de aan gedaagde toegekende bijstandsuitkering. Uit de in een voorlopige rapportage neergelegde resultaten van dit onderzoek heeft appellant afgeleid dat gedaagde met C een gezamenlijke huishouding voert. Vervolgens heeft appellant bij primair besluit van 23 september 1997 de bijstandsuitkering van gedaagde met ingang van 1 oktober 1997 beëindigd. Nadat gedaagde bezwaar had gemaakt, heeft appellant bij het bestreden besluit van 21 juli 1998 de bezwaren ongegrond verklaard. Appellant is van oordeel dat gedaagde en C niet duurzaam gescheiden leven, zodat zij voor de toepassing van de Abw als een gezin in de zin van artikel 4, aanhef en onder c, dienen te worden gezien. Appellant is voorts van oordeel dat C kan beschikken over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan van zijn gezin te voorzien. Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van gedaagde. Tevens heeft de president het door gedaagde ingediende verzoek om voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot en met zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar van appellant. Aan de aangevallen uitspraak (waar voor verzoekster en verweerder dient te worden gelezen: gedaagde en appellant) wordt het volgende ontleend: "In beroep heeft verzoekster opnieuw aangevoerd dat C zijn hoofdverblijf heeft in de woning van zijn vader. Het feit dat C geregeld te vinden is bij en ook in de woning van verzoekster, impliceert naar haar mening nog niet dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Naar het oordeel van de president heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat C op 1 oktober 1997 zijn hoofdverblijf had in de woning van verzoekster. Aan verweerder kan worden toegegeven dat op basis van de gedingstukken, waaronder de onderzoeksrapportage van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 november 1997, twijfel gerechtvaardigd is over de vraag waar C zijn hoofdverblijf had dan wel heeft. Het ligt echter op de weg van verweerder terzake genoegzame feiten en omstandigheden aan te voeren, hetgeen tot dusverre niet is geschied. In dat verband acht de president nader onderzoek, met name met betrekk