Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-09-08
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8746
96/5142 ZW 96/7988 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en Bestratingsbedrijf X v.o.f., gevestigd te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij brief van 21 juli 1995 is gedaagde namens appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit in het kader van de Ziektewet (ZW). De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uit- spraak van 26 april 1996 onder gegrondverklaring van het beroep (onder meer) voormeld besluit vernietigd. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden. Bij brief van 5 augustus 1996 heeft appellant de Raad in kennis gesteld van een besluit van diezelfde datum, waarbij het besluit van 21 juli 1995 is gewijzigd. Bij brief van 29 oktober 1996 respectievelijk 16 april 1999 heeft appellant nader gereageerd respectievelijk de Raad enige stukken doen toekomen. Gedaagde heeft bij brief van 26 september 1996 een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 juli 1999, waar van partijen alleen appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen, vertegenwoordigd door mr M.L.C. de Jonge, werkzaam bij de Stichting sfb Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering NV. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat uit het bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (S 1996, 248) behorende overgangsrecht voortvloeit dat het onderhavige geschil dient te worden beoordeeld naar het vóór 1 augustus 1996 van toepassing zijnde recht. Zulks betekent in concreto dat van toepassing zijn de bepalingen van de ZW zoals die tussen 1 januari 1994 en 1 maart 1996 luidden. De bij gedaagde in dienst zijnde werknemer A. heeft zich op 27 april 1995 bij gedaagde ziekgemeld. Gedaagde heeft dit ziektegeval op 30 mei 1995 bij appellant gemeld. Appellant heeft het aan voornoemde werknemer toekomende ziekengeld vanaf 8 juni 1995 tot de datum van werkhervatting 21 juni 1995 via gedaagde, die voor de toepassing van dit ziektegeval een zogeheten zes-weken werkgever is, betaald. Wegens overtreding van het ziekmeldingsvoorschrift van artikel 38, lid 2 ZW met 21 dagen heeft appellant bij het besluit van 21 juli 1995, met gebruikmaking van de aan artikel 38, lid 4 ZW ontleende bevoegdheid, aan gedaagde een bedrag van 21 maal 100% van het dagloon van de verzekerde A., ofwel f 3.543,93, in rekening gebracht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, omdat dit -naar appellant ter zitting ook had verklaard- niet in overeenstemming was met het door appellant terzake gehanteerde sanctiebeleid, en wel omdat de arbeidsongeschiktheid van A. onomstotelijk vaststond. Daarnaast heeft de rechtbank enige overwegingen gewijd, aangeduid als gegeven 'ten overvloede', die hierop neerkomen dat grammaticale uitleg van artikel 38, lid 4 ZW weliswaar past bij het standpunt van appellant dat over de hele periode van te late melding een sanctie kan worden toegepast, ook al is slechts ziekengeld betaald over 9 dagen, maar dat, zo een teleologische interpretatie van dat artikellid al niet tot het oordeel zou voeren dat in een geval als het onderhavige geen sanctiebevoegdheid bestaat met betrekking tot meer dagen dan waarover ziekengeld is uitgekeerd, appellant toch in redelijkheid niet van die bevoegdheid met betrekking tot laatstbedoelde dagen gebruik kan maken zonder in strijd te komen met artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht (Awb)