Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-11-23
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8546
98/5150 ABW 98/6297 ABW 98/6298 ABW 98/6299 ABW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: drs A., wonende te B., appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 26 mei 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 11 mei 1999 enige stukken in het geding gebracht. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 oktober 1999, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg. II. MOTIVERING Met betrekking tot het geding nr 98/5150 ABW Bij het bestreden besluit van 20 maart 1997 heeft gedaagde het door appellant ingediende bezwaar tegen gedaagdes besluit van 29 november 1996 tot toekenning van bijzondere bijstand van maximaal f 408,-- voor vergoeding van de kosten van de glazen van een bril ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen, waarbij voor eiser en verweerder dient te worden gelezen appellant en gedaagde: "Naar het oordeel van de rechtbank kan van verweerder niet worden gevergd de vergoeding op een nog hoger bedrag te stellen nu dit hogere bedrag uitsluitend samenhangt met eisers keuze voor dunnere en ontspiegelde glazen. Eiser legt in zijn grieven tegen besluit IV de nadruk op de subjectieve beleving casu quo de psychologische problemen welke hij zou ondervinden bij het dragen van een bril met dikke glazen. Voor zover eiser daarmee beoogt te betogen dat de psychologische problemen voeren tot een medische noodzaak tot het dragen van een bril met dunne, ontspiegelde glazen, had het naar het oordeel van de rechtbank op eisers weg gelegen ten minste een aanzet tot bewijsvoering op dit punt te leveren. Nu deze geheel ontbreekt heeft verweerder dan ook kunnen concluderen dat ter zake een medische noodzaak niet aanwezig is. Daarbij heeft de rechtbank nog overwogen dat een enkele - op geen enkele wijze onderbouwde - stelling verweerder niet behoeft te nopen daarnaar nader onderzoek te (doen) verrichten.". In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Hiertoe onderschrijft hij de hierboven weergegeven overwegingen uit de aangevallen uitspraak. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid. Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de Raad in dit geding geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met betrekking tot de gedingen nrs 98/6297 t/m 98/6299 ABW Appellant heeft op 24 oktober 1996 en op 22 januari 1997 bij gedaagde aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor het griffierecht in vijf administratiefrechtelijke beroepszaken betreffende diverse geschillen met betrekking tot het recht op bijstand van appellant. Bij besluiten van 3 december 1996 respectievelijk 5 februari 1997 heeft gedaagde deze aanvragen afgewezen. Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij de bestreden besluiten van 20 maart 1997, kenmerk B&B/88544700/B9771177, respectievelijk van 27 maart 1997 die afwijzing gehandhaafd. Appellant heeft op 24 november 1996 gedaagde verzocht hem bijstand te verlenen in de kosten van de eigen bijdrage ad f 110,--, verschuldigd in verband met de verlening van rechtsbijstand voor het voeren van verweer in een door zijn voormalige echtgenote aangespannen kort geding. Bij besluit van 27 december 1996 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen.