Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-11-04
ECLI:NL:CRVB:1999:AA5097
97/6522 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: dr A, wonende te B, appellant, en het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Groningen op 6 juni 1997 onder nr. AWB 94/1266 AW V08 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 23 september 1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr L. Rijpkema, advocaat te Groningen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr J.A. Mulder en prof dr T.A.F. Kuipers, beiden werkzaam bij de Rijkuniversiteit Groningen. II. MOTIVERING De Raad verwijst voor een uitvoerige weergave van de relevante feiten naar de als zodanig in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak vermelde feiten. De Raad volstaat hier met de volgende samenvatting. Appellant, sedert 1 september 1975 werkzaam bij de Faculteit X van de Rijksuniversiteit Groningen voor 0,9 fte, was laatstelijk belast met het verzorgen van colleges en werkgroepen in het kader van onderwijsdienstverlening, in vakken die bij de Faculteit Y als keuzevakken konden worden gevolgd. In verband daarmee kwam 0,3 fte van appellants aanstelling ten laste van deze faculteit. Aan appellant is bij besluit van 28 februari 1994 met ingang van 1 juni 1994 ontslag verleend uit zijn functie van universitair docent, aangezien deze betrekking in het kader van de reorganisatie van de Y en de X is opgeheven en een andere betrekking voor 0,9 fte niet beschikbaar bleek. Bij hetzelfde besluit is appellant opnieuw aangesteld als universitair docent bij de X voor 0,5 van de werktijd. Bij het bestreden besluit van 25 juli 1994 is het bezwaar van appellant tegen zijn ontslag met ingang van 1 juni 1994 wegens opheffing van de betrekking ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de aanstelling in een 0,5 functie is bij hetzelfde besluit gegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard voorzover gericht tegen de ingangsdatum van het ontslag, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Ten slotte heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Appellant heeft in hoger beroep (wederom) het standpunt ingenomen dat hij ten onrechte is ontslagen wegens opheffing van zijn betrekking, omdat dezelfde werkzaamheden zijn blijven bestaan in een wat andere context en hetzelfde soort colleges nog steeds wordt gegeven. Voorts is appellant van mening dat het reorganisatieplan, waarop het besluit tot opheffing van de betrekking is gebaseerd, onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Ook zou daarin in onvoldoende mate zijn gemotiveerd waarom appellants betrekking zou moeten worden opgeheven. Gedaagde heeft de opvatting van appellant gemotiveerd bestreden. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), zoals dat luidde ten tijde als hier van belang. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. Op grond van artikel 96, eerste lid, aanhef en onder a, van het ARAR, kan aan de ambtenaar eervol ontslag worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking. Ontslag op deze grond kan slechts plaatsvinden, indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op te dragen (artikel 96, tweede lid, van het ARAR). Tot slot is van belang dat in het derde lid van artikel 96 van het ARAR is voorgeschreven dat bij een ontslagverlening als hier bedoeld een opzeggingstermijn van drie maanden in acht wordt genomen. Uit deze bepalingen vloeit voort dat aan appellant eerst ontslag kon worden verleend nadat