Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-11-25
ECLI:NL:CRVB:1999:AA5089
99/1958 AW en 99/1959 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Staatssecretaris van Financiën, appellant, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Roermond op 26 februari 1999 onder nrs. 98/501 AW en 98/553 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt gewezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend waarna namens appellant nadere stukken aan de Raad zijn gezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 14 oktober 1999, waar namens appellant zijn verschenen mr M.N. Noorman, H. Nijsten en P.H.G. Ruijter, allen werkzaam bij het Ministerie van Financiën. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn echtgenote C. II.MOTIVERING Gedaagde, die werkzaam was als deurwaarder bij de belastingdienst Directie Particulieren te D., heeft op 20 november 1996 een verkeersongeval veroorzaakt. Daarbij is schade ontstaan aan zowel de door gedaagde bestuurde dienstauto als aan de auto van een derde, de heer E. Bij schrijven van 19 maart 1997 is gedaagde in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden in de zin van artikel 66, tweede lid, van het Algemeen Rijksamtenarenreglement (hierna: ARAR) ten aanzien van onrechtmatig gebruik van de dienstauto en het voornemen het (nog vast te stellen) bedrag van de schade op hem te verhalen. Met brief van 21 maart 1997 heeft gedaagde zich verantwoord. Bij schrijven van 17 juli 1997 is gedaagde geïnformeerd terzake van het voornemen de schade aan de dienstauto ten bedrage van f 5.945,38 en de schade aan de aangereden auto ten bedrage van f 6.884,-- volledig op hem te verhalen. Gedaagde heeft hierop gereageerd met brieven van 27 juli en 22 september 1997. Bij besluit van 5 november 1997 is aan gedaagde meegedeeld dat hij op grond van artikel 66 van de ARAR geheel aansprakelijk wordt gesteld voor de schade zijnde f 12.829,38. Namens gedaagde is tegen het besluit van 5 november 1997 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 april 1998 heeft appellant het bezwaar van gedaagde ongegrond verklaard. In dat besluit heeft appellant gedaagde doen weten: "Nu het aan betrokkene te wijten is dat hij niet direct de politie heeft ingeschakeld waardoor niet kon worden vastgesteld onder welke omstandigheden het ongeval heeft plaatsgevonden en nu uit de verklaring van de heer E. de indruk is ontstaan dat betrokkene er belang bij had om de politie niet in te lichten dient het risico van de geleden schade bij betrokkene en niet bij de dienst te worden neergelegd." Bij besluit van 8 juni 1998 is het besluit van 22 april 1998 ingetrokken en is het bedrag dat verhaald werd gewijzigd in f 6.629,03. Voorts is aangegeven dat de overwegingen die ten grondslag liggen aan het nieuwe besluit van 8 juni 1998 dezelfde zijn als die vermeld zijn in het besluit van 22 april 1998 en is gedaagdes bezwaar tegen het besluit van 5 november 1997 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 22 april 1998 vernietigd. Met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het besluit van 8 juni 1998 in de oordeelsvorming betrokken en is ook dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat niet gebleken is dat appellant onderzoek heeft gedaan naar onder meer de omvang van de schade in verhouding tot de hoogte van de bezoldiging en de verwijtbaarheid van gedaagde. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten onrechte heeft nagelaten te bezien of -zo er al sprake zou zijn van verwijtbaarheid- naar aanleiding van de opgelegde disciplinaire maatregel de schade niet of slechts gedeeltelijk op gedaagde verhaald diende te worden. Ten slotte heeft de rechtbank aangegeven dat niet gebleken is van een verklaring voor de forse verlaging van het schadebedrag dat op gedaagde wordt verhaald. Namens appellant is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de rechtbank de bewijslast onjuist verdeeld