Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-04-15
ECLI:NL:CRVB:1999:AA3981
97/2707 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellante, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Breda op 24 februari 1997 onder nr. 96/2048 AW VI gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn door de Raad gestelde vragen beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 1999. Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr M.J.E.M. Edelmann, advocaat te Breda. Gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr C. van den Berg, werkzaam bij USZO Groningen. II. MOTIVERING Met ingang van 1 maart 1994 zijn het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) en het daarbij behorend overgangsrechtelijk artikel II (hierna: artikel II), zoals vastgesteld bij besluit van 4 februari 1994 (Stb. 100), in werking getreden. Bij besluit van 19 juni 1996 (Stb. 338) zijn daarin vernummeringen aangebracht. In deze uitspraak wordt, tenzij anders is aangegeven, de in Stb. 1994, 100 neergelegde nummering aangehouden. Appellante, geboren in 1933, is wegens opheffing van haar voltijdse betrekking van onderwijzeres met ingang van 5 januari 1982 ontslag verleend en op grond van hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit K.O./L.O. (Rpb K.O./L.O.) wachtgeld toegekend. De hoogte van het wachtgeld was 70% van de voorheen genoten bezoldiging tot aan 8 februari 1988 en vervolgens 40% tot aan 1 augustus 1998. Appellante is aansluitend aan het ontslag benoemd in een deeltijdbetrekking waarvan de omvang, na uitbreiding, vanaf 1 mei 1986 27 uur en 30 minuten per week bedroeg. De toekenning van het wachtgeld bracht ingevolge artikel I-H15 van het Rpb K.O./L.O. met zich dat naast het wachtgeld ook nieuwe inkomsten uit arbeid of bedrijf mochten worden verworven, die pas tot korting op het wachtgeld zouden leiden voorzover zij tezamen met het wachtgeld de laatstelijk voor het ontslag genoten bezoldiging zouden overschrijden (hierna te noemen: de bijverdienmogelijkheid). Bij de invoering van het Rechtspositiebesluit onderwijs (Rpbo) is het Rpb K.O./L.O. met ingang van 1 augustus 1985 ingetrokken. In artikel V-H1 van het Rpbo is bepaald dat degene, die terzake van voordien gegeven ontslag recht had op een ontslaguitkering op grond van hoofdstuk I-H van het Rpb K.O./L.O., de rechten en verplichtingen die hij op grond van het Rpb K.O./L.O. had, gedurende de loop van de uitkering behoudt. Appellante is met toepassing van de Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel (DOP-regeling) per 1 december 1988 voor 50% uitgetreden en vanaf 1 augustus 1992 ontslagen uit haar voormelde functie van 27 uur en 30 minuten. Daarbij is een DOP-uitkering toegekend tot haar pensioengerechtigde leeftijd ter hoogte van 80% van de bezoldiging die zij terzake van de in 1988 onderscheidenlijk 1992 prijsgegeven werkzaamheden had genoten. De bijverdienmogelijkheid bracht met zich dat net als die bezoldiging ook de DOP- uitkering aanvankelijk niet tot korting op appellantes wachtgeld leidde. Bij het BWOO zijn de wachtgeldstelsels voor het gehele onderwijspersoneel met ingang van 1 maart 1994 vervangen door een op de Werkloosheidswet afgestemd stelsel van werkloosheidsuitkeringen, waarbij de bijverdienmogelijkheid is beëindigd: het is niet meer mogelijk om zonder korting op de ontslaguitkering bij te verdienen. Uit artikel II, eerste en vierde lid, vloeit voort dat deze korting eerst met ingang van 1 januari 1996 wordt toegepast op (onder meer) ontslaguitkeringen die waren toegekend op grond van het Rpb K.O./L.O. (abusievelijk aangeduid als Rechtspositiereglement KO/LO). De korting ingevolge het BWOO vindt plaats door vermindering van het aantal uren terzake waarvan recht op uitkering bestaat (onder meer) ingeval betrokkene arbeid verricht (artikel 6, derde lid, aanhef en in vergelijking met het Rpbo gaf, maar niet beoogd heeft te garanderen dat op die voordelen ook bij latere regelgeving geen inbreuk zou worden gemaakt. Hiermee is evenwel nog niet gegeven dat aan artikel II, vierde lid, jegens personen als appellante - die gelijktijdig in het genot waren van een DOP-uitkering en een wachtgeld zonder meer toepassing mocht worden gegeven. Immers bij het tot stand brengen van algemeen verbindende voorschriften is het weliswaar in beginsel aan de materiële wetgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen en moet de rechter het resultaat daarvan respecteren, maar dit uitgangspunt lijdt - zoals appellante terecht heeft willen betogen - uitzondering indien aan de inhoud of wijze van totstandkoming van dat algemeen verbindend voorschrift zodanige ernstige feilen kleven, dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Het vorenstaande brengt met zich dat de rechter bij de behandeling van een beroep dat tegen een in concreto genomen besluit is ingesteld, ook gehouden is om te toetsen of het desbetreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag voor dat besluit vormt. Bij die, niet-rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer en derhalve moeten bij die, terughoudende, toetsing ook de omstandigheden van de betrokkenen ten tijde van hun ontslag en ten tijde van de invoering van het BWOO in aanmerking worden genomen. Het is aannemelijk dat de afschaffing van de bijverdienmogelijkheid vooral voor ouderen aan wie voorafgaand aan de invoering van het BWOO een wachtgelduitkering met een lange looptijd was toegekend, ondanks de overgangstermijn van 22 maanden, een substantiële verandering betekende van hun mogelijkheden tot behoud van hun inkomensniveau. Dit gold in het bijzonder indien zij indertijd hun ontslag aanvaard hadden in het vertrouwen, dat zij met gebruikmaking van de bijverdienmogelijheid nog langdurig - veelal tot hun pensioengerechtigde leeftijd - hun reeds lang bestaande inkomensniveau en levenspatroon zouden kunnen voortzetten door het verkrijgen van een nieuwe deeltijdbetrekking. Gedaagde heeft in enige andere gedingen, zij het zonder adstructie, weliswaar gesteld dat met de verlenging van de bijverdienmogelijkheid voor een termijn van 22 maanden aan allen een ruime overgangstermijn is geboden, maar, zeker indien zij op 1 maart 1994 reeds een leeftijd van boven de 55 jaar bereikt hadden en enige jaren voordien ontslagen waren, is het niet aannemelijk dat zij reële mogelijkheden hadden om weer een betrekking van zodanige omvang en met een zodanig salarisniveau te verwerven dat zij aldus de gevolgen van hun substantiële inkomensachteruitgang tot hun pensioengerechtigde leeftijd zouden kunnen opvangen. Derhalve kan in dergelijke gevallen de door gedaagde bedoelde aanpassing aan veranderde omstandigheden niet iets anders betekenen dan gewenning op een termijn van 22 maanden aan een substantiële vermindering van hun inkomensniveau. Hoe ingrijpend de beëindiging van de bijverdienmogelijkheid per 1 januari 1996 derhalve voor velen kon zijn, hierin alleen kan de Raad onvoldoende grond vinden voor het oordeel, dat aan de totstandkoming of inhoud van artikel II, vierde lid, zulke ernstige feilen kleven dat gedaagde die bepaling ten aanzien van appellante buiten toepassing had moeten laten. Dit betekent dat voor dit buiten toepassing laten ook geen reden zou zijn geweest indien appellante in 1988 en 1992 geen gebruik van de DOP-regeling had gemaakt, maar haar betrekking van 27,5 uur was blijven vervullen en deswege, op grond van artikel 6 van het BWOO, eveneens per 1 januari 1996 met een substantile vermindering van haar inkomen was geconfronteerd. De Raad is niet gebleken van bijkomende bijzondere omstandigheden die in gevallen als het onderhavige tot buiten toepassing