Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-04-08
ECLI:NL:CRVB:1999:AA3980
97/6168 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellant, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Groningen op 6 juni 1997 onder nr. AWB 96/1234 AW V08 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarna namens appellant nog tweemaal nadere stukken zijn ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 1999. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr W.E. Pors, advocaat te 's-Gravenhage. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr J.G.F. Hoffmans, eveneens advocaat te 's-Gravenhage. II. MOTIVERING Met ingang van 1 maart 1994 zijn het Besluit Werkloosheid onderwijsen onderzoekpersoneel (BWOO) en het daarbij behorend overgangsrechtelijk artikel II (hierna: artikel II), zoals vastgesteld bij besluit van 4 februari 1994 (Stb. 100), in werking getreden. Bij besluit van 19 juni 1996 (Stb. 338) zijn daarin vernummeringen aangebracht. In deze uitspraak wordt, tenzij anders is aangegeven, de in Stb. 1994, 100 neergelegde nummering aangehouden. Appellant, geboren in 1935 en werkzaam bij de toenmalige Rijkshogeschool Groningen, is per 1 januari 1990 uit zijn betrekking aldaar van 38 uur per week ontslagen in het kader van de uitvoering van de operatie schaalvergroting, taakverdeling en concentratie in het hoger beroepsonderwijs (STC-operatie). In dat kader is krachtens de Invoeringswet W.H.B.O. bij algemene maatregel van bestuur van 16 oktober 1987 een sociaal beleidskader (hierna: SBK-HBO) voor 55-jarigen en ouderen vastgesteld. Bij circulaire van 29 september 1989 heeft gedaagde bericht, dat hij bereid was deze regeling eenmalig uit te breiden tot degenen die voor 1 januari 1990 de 50-jarige leeftijd zouden bereiken. Beide groepen worden hierna tezamen als de SBK-ers aangeduid. Gedaagde heeft appellant met toepassing van de zogeheten 50-plusregeling en hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) wachtgeld toegekend. Vervolgens is appellant met ingang 1 augustus 1990 in vaste dienst in een deeltijdbetrekking van 8 uur en 36 minuten per week aangesteld. Die datum is gekozen omdat gedaagde er niet mee kon instemmen dat dergelijke deeltijdaanstellingen van SBK-ers eerder dan 1 augustus 1990 zouden ingaan. Appellants deeltijdbetrekking is in verband met het maximum van de hieronder vermelde bijverdienmogelijkheid per 1 augustus 1990 eerst alsnog teruggebracht tot 6 uur en 30 minuten en vervolgens met ingang van 1 januari 1991 uitgebreid tot 10 uur en 18 minuten per week. De toekenning van voornoemd wachtgeld bracht ingevolge artikel 12 van het SBK-HBO met zich, dat de duur en de percentages van het wachtgeld zoals vermeld in de toekenningsbeschikking (van 83% aflopend tot 70% van de voorheen genoten bezoldiging en veelal - zoals in appellants geval - voortdurend tot de pensioengerechtigde leeftijd) gegarandeerd werden. Voorts werd ten behoeve van 50-jarigen en ouderen algehele ontheffing van de sollicitatieplicht verleend. Daarnaast waren ingevolge artikel 12, eerste lid, tweede volzin, van het SBK-HBO op dit wachtgeld ook de normale bepalingen van het Rbpo van toepassing, waaronder artikel I-H16. Ingevolge deze bepaling mochten naast het wachtgeld ook nieuwe inkomsten uit arbeid of bedrijf worden verworven, die pas tot korting op het wachtgeld zouden leiden voorzover zij tezamen met het wachtgeld de laatstelijk voor het ontslag genoten bezoldiging zouden overschrijden (hierna te noemen: de bijverdienmogelijkheid). Bij het BWOO zijn de wachtgeldstelsels voor het gehele onderwijspersoneel met ingang van 1 maart 1994 vervangen door een op de Werkloosheidswet afgestemd stelsel van werkloosheidsuitkeringen, waarbij de bijverdienmogelijkheid is beëindigd: het is niet meer mogelijk om zonder korting op de uitkering bij te verdienen. De korting vindt ingevolge he Bij die, niet-rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer en derhalve moeten bij die, terughoudende, toetsing ook de omstandigheden van de betrokkenen ten tijde van hun ontslag en ten tijde van de invoering van het BWOO in aanmerking worden genomen. Het is aannemelijk dat de afschaffing van de bijverdienmogelijkheid vooral voor ouderen aan wie voorafgaand aan de invoering van het BWOO een wachtgelduitkering met een lange looptijd was toegekend, ondanks de overgangstermijn van 22 maanden, een substantiële verandering betekende van hun mogelijkheden tot behoud van hun inkomensniveau. Dit gold in bijzonder indien zij indertijd in hun ontslag berust hadden in het vertrouwen dat zij door het verkrijgen van een nieuwe deeltijdbetrekking nog langdurig - veelal tot hun pensioengerechtigde leeftijd - hun reeds lang bestaande inkomensniveau en levenspatroon zouden kunnen voortzetten. Namens gedaagde is, zij het zonder adstructie, weliswaar gesteld dat betrokkenen met de verlenging van de bijverdienmogelijkheid voor een termijn van 22 maanden ruimschoots de gelegenheid is geboden om zich op de eventuele aankomende wijzigingen in hun inkomenssituatie in te stellen. Maar de Raad acht het, zeker indien zij zoals velen op 1 maart 1994 een leeftijd van (vaak ver) boven de 50 jaar bereikt hadden en reeds jaren voordien ontslagen waren, niet aannemelijk dat zij reële mogelijkheden hadden om weer een betrekking van gelijke omvang en met een gelijk salarisniveau te verwerven als voor hun ontslag om aldus de gevolgen van hun substantiële inkomensachteruitgang tot hun pensioengerechtigde leeftijd op te vangen. Hoe ingrijpend de beëindiging van de bijverdienmogelijkheid per 1 januari 1996 voor velen kon zijn, hierin alleen kan de Raad onvoldoende grond vinden voor het oordeel, dat aan de totstandkoming of inhoud van artikel II, vierde lid, zulke ernstige feilen kleven dat gedaagde die bepaling ten aanzien van appellant buiten toepassing had moeten laten. Dit ligt anders in de gevallen van de SBK-ers, waaronder dat van appellant, omdat zich daar nog de bijkomende bijzondere omstandigheid voordoet dat zij, hoewel voor hen gezien hun grote aantal dienstjaren in het kader van de STC- operatie geen ontslag dreigde, zich toch bereid verklaard hebben dat te aanvaarden. Zij hebben daardoor hun werkgever de mogelijkheid geboden om te ontkomen aan het voor de uitvoering van de STC-operatie noodzakelijke ontslag van jongeren. Deze bereidheid heeft de materiële wetgever juist willen bewerkstelligen door het uitvaardigen van het SBK-HBO met de daarin vervatte garantie van percentage en duur van het hun toe te kennen wachtgeld en andere faciliteiten. De Raad is, gezien hetgeen terzake uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad in het onderhavige geval en in enige vergelijkbare gedingen is gebleken, van oordeel dat er voor de SBK-ers op het moment waarop zij met verlenen van ontslag hebben ingestemd, geen enkele aanleiding bestond om te vermoeden dat de bijverdienmogelijkheid wellicht zou worden afgeschaft vóór het einde van de duur waarvoor hun uitkering was toegekend. Weliswaar is niet gebleken dat van de zijde van gedaagde voorafgaand aan het ontslag het behoud van de bijverdienmogelijkheid uitdrukkelijk is toegezegd. Maar evenmin is gebleken, dat de SBK-ers vóór hun ontslag van de zijde van gedaagde of hun werkgever zijn gewaarschuwd of dat vóór dat moment zelfs maar enige indicatie is gegeven, dat op het behoud van de bijverdienmogelijkheid niet kon worden gerekend, terwijl ook voor gedaagde en de werkgever onmiskenbaar was dat de SBK-ers zonder vertrouwen op dit behoud niet bereid waren geweest om in te stemmen met een ontslag dat voor hen niet dreigde. Deze omstandigheden vergden dat de materiële wetgever bij het totstandbrengen van het overgangsrecht van het BWOO te verrichten belangenafweging jegens de SBK