Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-04-08
ECLI:NL:CRVB:1999:AA3979
98/836 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, appellant, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 11 december 1997 onder nr. AW 97/266 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is ter zitting van 14 januari 1999 gevoegd behandeld met de zaken 98/838 AW en 98/842 AW. Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr J.G.F. Hoffmans, advocaat te 's-Gravenhage en door mr G. de Vries en mr P. Scholts, beiden werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr R.C.D. van der Linde, regio-jurist bij de AbvaKabo te Amsterdam. II. MOTIVERING Met ingang van 1 maart 1994 zijn het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) en het daarbij behorend overgangsrechtelijk artikel II (hierna: artikel II), zoals vastgesteld bij besluit van 4 februari 1994 (Stb. 100), in werking getreden. Bij besluit van 19 juni 1996 (Stb. 338) zijn daarin vernummeringen aangebracht. In deze uitspraak wordt, tenzij anders is aangegeven, de in Stb. 1994, 100 neergelegde nummering aangehouden. Appellant heeft gedaagde (geboren in 1931) per 1 september 1987 ontslag verleend in het kader van de uitvoering van de Tijdelijke Wet taakverdeling w.o., met welke wet taakverdeling en concentratie in het wetenschappelijk onderwijs beoogd werden (de TVC-operatie). Appellant heeft gedaagde voorts met ingang van de datum van ontslag wachtgeld toegekend krachtens de Wachtgeldverordening van de gemeente Amsterdam (hierna: Wgv). Ingevolge de Wgv was gedaagde, omdat hij de leeftijd van 55 jaar bereikt had, niet meer verplicht zich als werkzoekende bij het arbeidsbureau in te schrijven. In de beschikking waarbij het wachtgeld is toegekend, is bepaald dat de hoogte en duur ongeacht latere wijzigingen van de Wgv werden gegarandeerd op 80% aflopend tot 70% van de voorheen genoten bezoldiging tot 1 april 1996 (gedaagdes pensioengerechtigde leeftijd). Daarbij gaf appellant toepassing aan zijn besluit om bij de uitvoering van de TVC-operatie ten volle overeenkomstige toepassing te geven aan het wachtgeldgarantiestelsel, dat voor de rijksuniversiteiten was voorzien in het krachtens voornoemde wet bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde sociale beleidskader: de Tijdelijke rechtspositieregeling taakverdeling w.o. (hierna: SBK-I). Daarnaast waren op gedaagdes wachtgeld voorts de normale bepalingen van de Wgv van toepassing, waaronder artikel 31. Ingevolge deze bepaling mochten naast het wachtgeld ook nieuwe inkomsten uit arbeid of bedrijf worden verworven, die pas tot korting op het wachtgeld zouden leiden voorzover zij tezamen met het wachtgeld de laatstelijk voor het ontslag genoten bezoldiging zouden overschrijden (hierna te noemen: de bijverdienmogelijkheid), zoals dat op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 ook gold voor personeelsleden bij rijksuniversiteiten aan wie op grond van het SBK-I door de Minister van Binnenlandse Zaken wachtgeld was toegekend. Door de bijverdienmogelijkheid ging gedaagde, omdat appellant met hem met ingang van de datum van ontslag een arbeidsovereenkomst voor 8 uur had gesloten - enkele maanden later uitgebreid tot 20 uur en vervolgens in een vaste aanstelling van die omvang omgezet - er aanvankelijk in inkomen niet of nauwelijks op achteruit. Gedaagde is nadien met ingang van 1 april 1992 uit zijn deeltijdbetrekking ontslagen onder gelijktijdige toekenning van een VUT- uitkering. Enkele jaren na de TVC-operatie is in verband met een selectieve krimpen groeioperatie bij de universiteiten (hierna: SKG-operatie) het Besluit SBK- II (hierna: SBK-II) uitgevaardigd, dat in een gelijksoortig wachtgeldstelsel als het SBK-I voorziet. Appellant heeft besloten om ook aan dat wacht Appellant wijst er voorts op dat de materiële wetgever bij het totstandbrengen van het BWOO wel degelijk expliciet aandacht aan de belangen van betrokkenen heeft besteed en dat het niet de bedoeling van het BWOO is dat de werkgever de mogelijk nadelige gevolgen gaat compenseren. De Raad is van oordeel dat beantwoording van het geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, niet los kan worden gezien van het oordeel over de in eerste aanleg en enige vergelijkbare gedingen aangevoerde grief dat aan artikel II, vierde lid, zodanige ernstige feilen kleven dat die bepaling jegens de SBK-ers niet mocht worden toegepast. Dienaangaande overweegt de Raad dat weliswaar artikel II, zesde lid, dat bij uitzondering de bijverdienmogelijkheid ook na 1 januari 1996 in stand laat, op de SBK-ers niet van toepassing is - omdat de SBK-garantie alleen de hoogte en duur van het wachtgeld betreft -, maar dat hiermee nog niet gegeven is dat appellant zonder meer aan artikel II, vierde lid, toepassing mocht geven. Immers bij het tot stand brengen van algemeen verbindende voorschriften is het weliswaar in beginsel aan de materiële wetgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen en moet de rechter het resultaat daarvan respecteren, maar dit uitgangspunt lijdt - zoals onder meer in 's Raads door appellant aangehaalde uitspraak van 14 november 1991, TAR 1991/239 tot uitdrukking is gebracht - uitzondering indien aan de inhoud of wijze van totstandkoming van dat algemeen verbindend voorschrift zodanige ernstige feilen kleven, dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Het vorenstaande brengt met zich dat de rechter bij de behandeling van een beroep dat tegen een in concreto genomen besluit is ingesteld, ook gehouden is om te toetsen of het desbetreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag voor dat besluit vormt. Bij die, niet-rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer en derhalve moeten bij die, terughoudende, toetsing ook de omstandigheden van de betrokkenen ten tijde van hun ontslag en ten tijde van de invoering van het BWOO in aanmerking worden genomen. Het is aannemelijk dat de afschaffing van de bijverdienmogelijkheid vooral voor ouderen aan wie voorafgaand aan de invoering van het BWOO een wachtgelduitkering met een lange looptijd was toegekend, ondanks de overgangstermijn van 22 maanden, een substantiële verandering betekende van hun mogelijkheden tot behoud van hun inkomensniveau. Dat gold in bijzonder indien zij indertijd in hun ontslag berust hadden in het vertrouwen dat zij door het verkrijgen van een nieuwe deeltijdbetrekking nog langdurig - veelal tot hun pensioengerechtigde leeftijd - hun reeds lang bestaande inkomensniveau en levenspatroon zouden kunnen voortzetten. In de met het onderhavige geval verwante zaak 98/5734 AW is namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Minister), zij het zonder adstructie, weliswaar gesteld dat betrokkenen met de verlenging van de bijverdienmogelijkheid voor een termijn van 22 maanden voldoende tijd is geboden om zich aan de veranderende omstandigheden aan te passen, maar de Raad acht het, zeker indien zij zoals velen op 1 maart 1994 een leeftijd van (vaak ver) boven de 50 jaar bereikt hadden en reeds jaren voordien ontslagen waren, niet aannemelijk dat zij reële mogelijkheden hadden om weer een betrekking van gelijke omvang en met een gelijk salarisniveau te verwerven als voor hun ontslag om aldus de gevolgen van hun substantiële inkomensachteruitgang tot hun pensioengerechtigde leeftijd op te vangen. Derhalve kan in gevallen als van gedaagde de bedoelde aanpassing aan veranderde omstandigheden niet iets anders betekenen dan gewenning op een termijn van 22 maanden aan een substantiële vermindering van hun inkomensniveau. Hoe ingrijpend de b