Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-03-26
ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7516
O 96/5429 AW 96/5430 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: de Minister van Economische Zaken, appellant, en [gedaagde] wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 24 april 1996 onder de nrs. AWB 95/829 AW en 95/7932 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. De gedingen zijn behandeld ter zitting van 19 februari 1998, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr J.M.A. Schuurs en J.F. Burger, beiden werkzaam op het Ministerie van Economische Zaken, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr A. Selter, verbonden aan de Juridische Adviespraktijk Van Emmerik en Selter. I. MOTIVERING Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. Bij besluit van 3 december 1992 is gedaagde door appellant met toepassing van artikel 6 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van 24 maanden. Gedaagde is geplaatst in een functie van beleidsmedewerker met formatieschaal 11 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984); het aanvangssalaris werd vastgesteld overeenkomstig schaal 8 van bijlage B van het BBRA 1984, salarisnummer 3. Per 1 maart 1993, zo werd bij de aanstellingsbrief medegedeeld, zou inpassing volgen in schaal 9, salarisnummer 1. Tevens werd in die brief gesteld dat de datum waarop de eerstkomende salarisverhoging kon ingaan, was bepaald op 1 maart 1994. Voorts bevatte die brief de mededeling dat gedaagde na beëindiging van de proeftijd bij goed functioneren in vaste dienst zou worden aangesteld, onder gelijktijdige inpassing in schaal 10 van bijlage B van het BBRA 1984; twee jaar na inpassing in schaal 10 zou worden bezien of gedaagde zou kunnen worden ingepast in schaal 11 van voornoemde bijlage. De inschaling bij indiensttreding in schaal 8,3 geschiedde in afwijking van de eerder tijdens de sollicitatieprocedure met gedaagde besproken inschaling in schaal 9,1 (op een overigens gelijk bedrag); gedaagde was kort tevoren van die wijziging op de hoogte gebracht. Bij besluit van 1 maart 1994 (hierna: primair besluit 1) is aan gedaagde per 1 maart 1994 een salarisverhoging toegekend overeenkomstig schaal 9, salarisnummer 2. Gedaagde heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Voorts heeft gedaagde aan appellant verzocht hem alsnog per 1 december 1992 te bezoldigen overeenkomstig schaal 9, salarisnummer 1, waarna per 1 december 1993 verhoging naar schaal 9,2 zou moeten plaatsvinden. Appellant heeft op dit laatste verzoek bij besluit van 27 mei 1994 (hierna: primair besluit 2) beslist: gedaagde is alsnog per 1 december 1992 ingeschaald in schaal 9,1 en tevens is bepaald dat de eerstkomende salarisverhoging kon plaatsvinden per 1 maart 1994. Gedaagde heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 december 1994 (hierna, voor zover betrekking hebbend op primair besluit 1: bestreden besluit 1; voor zover betrekking hebbend op primair besluit 2: bestreden besluit 2) heeft appellant op beide bezwaren beslist. Inmiddels was ten aanzien van het functioneren van gedaagde op 30 september 1994 een beoordeling opgemaakt. Nadat gedaagde van de beoordelingslijst in kennis was gesteld - en daartegen door hem eerst na afloop van de hem daarvoor gegunde termijn bedenkingen waren ingebracht - is bij besluit van 13 januari 1995 (hierna: primair besluit 3) de beoordeling vastgesteld. Gedaagde heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Aan gedaagde was enige tijd daarvoor bij besluit van 15 november 1994 (hierna: primair besluit 4) te kennen gegeven dat besloten was het tijdelijk dienstverband niet te laten volgen door een aanstelling in vaste dienst. Ook tegen dit besluit heeft gedaagde bezwaar gemaakt. Voorts overweegt de Raad dat gedaagde zelf niet voor 1 maart 1994 om toekenning van een hogere salarisschaal heeft verzocht. Dat appellant zich in (hoger) beroep hoofdzakelijk heeft beroepen op het door hem gevoerde beleid waarin, in weerwil van artikel 5 van het BBRA 1984 en de daaraan in vaste jurisprudentie gegeven uitleg (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 april 1997, TAR 1997, 126), het 'goed functioneren' als beslissend criterium gehanteerd lijkt te worden, doet niet af aan de conclusie dat het niet toekennen van schaal 10 per 1 maart 1994 op grond van het feit dat gedaagde nog niet een functie (in de zin van artikel 2, aanhef en onder h, en artikel 5 van het BBRA 1984) op het niveau van schaal 10 vervulde, in rechte kan standhouden. Voor zover de rechtbank bij haar uitspraak bestreden besluit 1 heeft vernietigd, komt die uitspraak ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Bij bestreden besluit 3 heeft appellant de door hem vastgestelde beoordeling gehandhaafd. Hij deed dit in het voetspoor van de door hem in de bezwarenprocedure ingeschakelde Commissie advisering bezwaarschriften personeelsleden EZ. Deze commissie heeft vastgesteld dat gedaagde niet tijdig gebruik heeft gemaakt van de hem krachtens artikel 7, eerste lid, van het Beoordelingsvoorschrift Burgerlijk Rijkspersoneel 1985 geboden gelegenheid tot het indienen van bedenkingen tegen de beoordeling. Zij heeft daaruit geconcludeerd dat "(gedaagdes) bezwaar tegen het feit dat deze beoordeling is vastgesteld zonder dat deze bedenkingen zijn overgenomen (..) derhalve ongegrond (is)". Door het bij deze conclusie te laten, heeft de adviescommissie, naar het oordeel van de Raad, een advies uitgebracht waaraan een ernstig gebrek kleeft. Het advies is immers geheel heengegaan langs de bezwaren die gedaagde tegen de beoordeling naar voren heeft gebracht. Gedaagde heeft zijn bezwaarschrift namelijk beëindigd met het primaire verzoek de inhoudelijke bezwaren die hij in met name genoemde stukken had verwoord, te beoordelen. Nu appellant niet op grondslag van het bezwaar heeft beslist en het bestreden besluit 3 enkel heeft gebaseerd op het gebrekkige advies kan dat besluit in rechte geen stand houden. Het had op de weg van appellant gelegen aan de commissie alsnog advies te vragen omtrent de gemaakte bezwaren danwel geheel zelfstandig tot heroverweging te komen van zijn primaire besluit op grondslag van het bezwaar. De omstandigheid dat gedaagde niet tijdig gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid bedenkingen te uiten bij de beoordelingsautoriteit staat immers niet in de weg aan de mogelijkheid voor gedaagde om krachtens artikel 8 van genoemd beoordelingsvoorschrift bezwaar te maken, terwijl zulks evenmin afdoet aan de verplichting voor appellant om op (de inhoud van) dat bezwaar te beslissen. Het bestreden besluit 3 kan derhalve reeds op deze grond in rechte geen stand houden, zodat de vernietiging van dat besluit door de rechtbank moet worden bevestigd. De Raad kan en zal de juistheid van de door de rechtbank voor die vernietiging gegeven motivering dat onvoldoende duidelijk is tegen de achtergrond van welke functie de beoordeling heeft plaatsgevonden, in het midden laten. Omdat de Raad, blijkens het hierna volgende, het bestreden besluit 4 in stand zal laten als gevolg waarvan er per 1 december 1994 een einde is gekomen aan het dienstverband van gedaagde, komt het hem geraden voor met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook het primaire besluit 3 te vernietigen. De Raad is niet gebleken dat gedaagde hier schade lijdt die met toepassing van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen appellants weigering (bij bestreden besluit 4) hem een vaste aanstelling te verlenen met ingang van 1 december 1994, gegrond verklaard. De rechtbank is tot dat oordeel gekomen nadat zij de volgens vaste jurisprudentie hier te stellen vraag of appellant in redelijkheid tot het oor