Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-05-20
ECLI:NL:CRVB:1998:AA8796
96/9717 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B (USA), eiser, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 27 augustus 1996 heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen dat in fotokopie aan deze uitspraak is gehecht. Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, met bijlagen, zoals gesuppleerd bij brief (met bijlagen) d.d. 7 februari 1997, is uiteengezet waarom eiser zich met dit besluit niet kan verenigen. Op 7 februari 1997 heeft eiser nog enige stukken ingezonden. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting op 9 april 1998. Aldaar is eiser niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Bij berekeningsbeslissing d.d. 30 november 1995 en het daarbij behorende besluit d.d. 4 december 1995, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster, voorzover in dezen van belang, de eerder definitief vastgestelde berekening van de eiser over de periode 1 maart 1994 tot 1 januari 1995 krachtens de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) verleende uitkering met toepassing van artikel 61 van de Wuv te zijnen nadele herzien, en het over genoemde periode teveel uitgekeerde bedrag ad f 9.015,15 met toepassing van artikel 61a van de Wuv van eiser teruggevorderd. Daartoe is overwogen dat eiser ten onrechte geen melding heeft gemaakt van het over deze periode uitbetaalde - ingevolge artikel 19, eerste lid onder d, van de Wuv op de periodieke uitkering in mindering te brengen - pensioen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp) en aldus de gebleken onjuistheid van de eerdere beslissing aan zijn grove nalatigheid is te wijten. In bezwaar en beroep heeft eiser zich met name gekeerd tegen de, in zijn ogen onjuiste, toepassing die verweerster aan artikel 61a van de Wuv heeft gegeven. In dat verband heeft eiser aangevoerd dat hij er, gezien de organisatorische verwevenheid tussen verweerster enerzijds en de Raadskamer WBP als uitvoeringsorgaan van de Wbp anderzijds onder de koepel van de Pensioen- en Uitkeringsraad, op mocht vertrouwen dat gegevens die van belang zijn in het kader van de samenloop van uit de diverse oorlogspensioenwetten voortvloeiende uitkeringen onderling bekend zijn. Zo bezien kan volgens eiser niet worden gezegd dat de onjuistheid van de eerdere beschikking aan grove nalatigheid zijnerzijds is te wijten, zodat ten onrechte terugvordering van het genoemde bedrag van f 9.015,15 heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de door hem gedurende de periode februari tot augustus 1994 ontvangen Amerikaanse werkloosheidsuitkering ten onrechte volledig op de hem gedurende die maanden toekomende periodieke uitkering ingevolge de Wuv in mindering is gebracht. De Raad overweegt terzake als volgt. In artikel 61a, aanhef en onder a, van de Wuv is bepaald dat, indien een ingevolge de Wuv gegeven beschikking in het nadeel van de belanghebbende wordt herzien, hetgeen reeds was uitbetaald niet wordt teruggevorderd of verrekend, tenzij in de herzieningsbeschikking is uitgesproken dat de gebleken onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beschikking ten grondslag gelegde feiten was te wijten aan zijn opzet dan wel grove nalatigheid. Ingevolge artikel 40 van de Wuv is de uitkeringsgerechtigde verplicht onverwijld aan de Pensioen- en Uitkeringsraad mededeling te doen van elke verandering, en van feiten en omstandigheden die tot intrekking of verlaging van de uitkering aanleiding kunnen geven. Blijkens de gedingstukken is het eiser tevens, sedert september 1982, toekomende pensioen ingevolge de Wbp gedurende de jaren 1989 tot en met 1993 op nihil gesteld geweest. Ingaande maart 1994 herleefde de uitbetaling van dit pensioen. Vaststaat dat eiser van die herleefde uitbetaling geen melding heeft gema