Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-11-27
ECLI:NL:CRVB:1998:AA8628
97/7547 AAW/WAO Q. U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en A te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verze-keringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 27 januari 1995 heeft appellant de aan gedaagde krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, voor zover het uitkering ingevolge de AAW betrof, ingetrokken en voor zover het uitkering ingevolge de WAO betrof, herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeids-ongeschiktheid van 15 tot 25%, zulks per 1 maart 1995. De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uit-spraak van 8 juli 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 september 1998, waar appellant -daartoe ambtshalve opgeroepen- is verschenen bij zijn gemachtigden mr A.I. van der Kris en mr M.J.M. Oltmans, beiden werk-zaam bij Gak Nederland B.V., en bij D. Vermeulen en drs H.P.G. Mulders, beiden werkzaam bij het Lisv, terwijl voor gedaagde als gemachtigden zijn verschenen mr C.A.J. de Roy van Zuydewijn en mr M.H. Klijnstra, beiden advocaat te Amsterdam. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als ver-weerder en gedaagde als eiser is aangeduid, ontleent de Raad de volgende als vaststaand aan te nemen feiten en omstandigheden: "Eiser, geboren in 1958, was laatstelijk sedert 1 november 1985 werkzaam als medewerker interne dienst/chauffeur gedurende 40 uur per week, in dienst van B.V. X te Y, tegen een bruto-salaris van ¦ 3.261,- per maand. Met in-gang van 4 maart 1991 heeft hij zich voor deze werkzaamheden ziek gemeld wegens psychische klachten. Eiser heeft gedurende de maximale termijn uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen. Vervolgens is hem bij besluit van 28 juli 1992 met ingang van 4 maart 1992 een AAW/WAO-uitkering toe-gekend, berekend naar een mate van arbeidsonge-schiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling op grond van Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA, Stb. 1993, 412) is eiser op 1 september 1994 door verweerders verzekeringsgeneeskundige gezien. De verzekeringsgeneeskundige heeft blijkens het rapport van diezelfde datum op grond van de reeds in het dossier aanwezige gegevens en de eigen bevindingen geconcludeerd dat eiser op medische gronden in staat was te achten volledig te hervatten in passend werk. Vervolgens is door de verzekeringsgeneeskundige een belastbaarheidspatroon opgesteld. Verweerders arbeidsdeskundige is op basis van dit belastbaarheidspatroon tot de conclusie ge-komen dat eiser niet meer geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel voor een aantal andere functies. In die functies zou eiser een mediaan loon kunnen verdienen van ¦ 3.359,- bruto per maand. Dit loon, afgezet tegen het loon dat eiser volgens verweerder had kunnen verdienen in zijn werk als medewerker interne dienst/chauffeur indien hij daarvoor niet arbeidsongeschikt was geworden, zou leiden tot een verlies aan verdiencapaciteit van 17,44%. De arbeidsdeskundige heeft deze bevindingen op 5 en 7 december 1994 met eiser besproken en bij br 8:45, eerste en tweede lid, van de Awb gehouden om op verzoek van de rechtbank bepaalde stukken in te zenden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van dit artikel gehouden kan worden functie-enquête-formulieren in het geding te brengen. Wanneer een partij, zoals in dit geding, gemotiveerd bepaalde gegevens uit het FIS met betrekking tot in die zaak geduide functies betwist, dan dient de rechter die gegevens te kunnen controleren. Zulks geldt evenzeer indien de rechtbank ambtshalve aanleiding heeft om te twijfelen aan bepaalde gegevens uit het FIS. Blijkens vaste rechtspraak (onder meer HR 18 februari 1994, NJ 94/742) behoort het immers tot de fundamentele beginselen van het (bestuursrechtelijk) procesrecht dat de rechter bij de vaststelling van rechten en verplichtingen van partijen zich alleen mag baseren op gegevens van feitelijke aard waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben kunnen stellen. Daaruit vloeit voort dat de rechter zich, wanneer sprake is van een gemotiveerde be-twisting daarvan, niet mag laten leiden door bepaal-de conclusies van een partij die geheel of ten dele berusten op wezenlijke gegevens van feitelijke aard welke die partij ook desgevraagd niet heeft willen openbaren. 3.3.4 Artikel 8:29 Awb Verweerder heeft in de loop van deze procedure -subsidiair- een beroep gedaan op art. 8:29 van de Awb. De rechtbank wijst er voor de goede orde eerst op dat een dergelijk beroep eerst (goed) beoordeeld kan worden door de rechtbank wanneer de betreffende partij de stukken aan de rechtbank zendt, dan wel anderszins inzage ervan mogelijk maakt. Een beoor-deling van verweerders beroep op toepassing van art. 8:29 van de Awb is derhalve slechts in algemene zin mogelijk. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat de door verweerder aangedragen gronden voor geheimhouding in het algemeen niet als gewichtige redenen als bedoeld in art. 8:29 Awb aangemerkt kunnen worden. Uit het tweede lid van dit artikel volgt immers dat in ieder geval geen sprake is van gewichtige redenen indien verweerder op grond van de (lees:) Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verplicht zou zijn de functie-enquêteformulieren over te leggen. Krachtens het bepaalde in art. 10, eerste lid, onder c, van de WOB blijft het verstrekken van informatie ingevolge die wet achterwege voorzover dit 'bedrijfs- en fabrica-gegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.' Blijkens de jurisprudentie is eerst sprake van gegevens als bedoeld in dit artikellid indien uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ten aanzien van alle functie-enquêteformulieren van de functies in het FIS kan zeker niet gezegd worden dat daaruit dergelijke wetenswaardigheden afgeleid kunnen worden. Verder is niet gebleken dat uit de in deze proce-dures overgelegde functiebeschrijvingen, voorzover de naam en het adres van de werkgevers daarbij bekend zouden zijn geweest, wel wetenswaardigheden als hiervoor bedoeld afgeleid hadden kunnen worden. Voor de goede orde voegt de rechtbank daar nog aan toe dat het niet uitgesloten is te achten dat bij bepaalde functies uit de combinatie van omschrijving van de werkzaamheden, het aantal arbeidsplaatsen, de looncomponenten en de naam van de werkgever wel dergelijke wetenswaardigheden zijn af te leiden. Wanneer verweerder meent dat een zodanige situatie aan de orde is dan dient hij een op die zaak toegespitst gemotiveerd verzoek om toepassing van art. 8:29 van de Awb in te dienen. Voorts heeft verweerder kennelijk beoogd een beroep te doen op het bepaalde in art. 10, tweede lid, onder g, van de WOB. In dit artikellid is bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge de WOB eveneens achterwege blijft voorzover het belang daarv 8:45 van de Awb heeft voldaan is het de rechtbank on-mogelijk geworden de grondslag van de bestreden besluiten te beoordelen. Mede gelet op het bepaalde in art. 8:31 van de Awb is de rechtbank derhalve van oordeel dat ook besluit II niet in stand kan blijven.". In het aanvullend hoger beroepschrift heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank onder meer als volgt bestreden: "Artikel 8:29, lid 1, Awb bepaalt dat partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, kunnen weigeren stukken over te leggen, dan wel mededelen dat alleen de rechtbank kennis zal mogen nemen van de stukken. Op grond van het tweede lid is er in ieder geval geen sprake van gewichtige redenen, indien de informatie op grond van de WOB zou moeten worden verstrekt. Het derde lid bepaalt dat de rechtbank beslist of een weigering gerechtvaardigd is. Ondergetekende is allereerst van mening op grond van de WOB niet verplicht te zijn de informatie in de functie-enquêteformulieren te verstrekken. Zou dit wel het geval zijn dan kan er immers geen sprake zijn van "gewichtige redenen". Artikel 10, lid 1, onder c, WOB bepaalt dat het verstrekken van informatie achterwege blijft voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld. In dit verband wordt in de wetsgeschiedenis (Memorie van Toelichting, Handelingen van de Tweede Kamer 1986-1987, 19 859, p. 33) de grote stroom van vrijwillig verstrekte bedrijfsgegevens genoemd die de overheid verzamelt en ten behoeve van statistische publicaties bewerkt om beleid te kunnen voeren. Die verzamelingen zouden niet kunnen worden aangelegd als de vertrouwelijkheid van de individuele bron niet gegarandeerd zou zijn en de gegevens in handen zouden kunnen komen van concurrenten. Het artikel beoogt derhalve in het algemeen gesproken enerzijds de overheid voldoende grondslag te bieden voor de beleids- en bestuursvoering en anderzijds de bedrijven voldoende bescherming te bieden tegen concurrentievervalsing. In het onderhavige geval is een vergelijkbare situatie aan de orde. Met de gegevens die de werkgevers verschaffen, wordt het FIS-systeem gevoed. De bedrijven zouden zeker niet meewerken aan deze informatieverschaffing als de vertrouwelijkheid van de informatiebron niet, althans niet in belangrijke mate, gegarandeerd zou zijn. Die beduchtheid van werkgevers is begrijpelijk. Een analyse van functies en werkprocessen in een bedrijf kan namelijk inzicht bieden in produktspecificaties en fabricageprocessen en daardoor bedrijfsgeheimen in de openbaarheid brengen die het gevaar oproepen van concurrentie-vervalsing. Ondergetekende heeft de werkgevers die meewerken dan ook geheimhouding beloofd. Verder is ondergetekende van mening dat ook artikel 10, lid 2, onder g, WOB van toepassing is. Op grond van deze bepaling blijft verstrekking van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Het belang bij het verstrekken van de informatie is dat de heer A de gelegenheid heeft om de in FIS vermelde gegevens bij de betreffende werkgevers te verifiëren. Dit kan echter ook langs andere weg gebeuren. Gegevens als het type bedrijf of branche waaruit de in het FIS opgenomen functies afkomstig zijn, worden immers vermeld op de "arbeidsmoge-lijkhedenlijst" die tot de gedingstukken behoort. Niet alleen de rechter, maar ook partijen beschikken hierover. Dat betekent dat de heer A bij de genoemde typen bedrijf en branches vergelijkend onderzoek kan doen. Daarbij is nog van belang dat het niet zo kan zijn dat een bepaalde functie uniek en niet vergelijkbaar is. Elke functie of beroep zit in verband met de regionale spreiding minimaal 5 maal in het bestand. De heer A heeft dus voldoende mogelijkheden om de realiteitswaarde van de geduide functies te verifiëren. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat appellant bij de voorbereiding en het nemen van het bestreden besluit van deze formulieren gebruik heeft gemaakt en dat evenmin gebleken is dat deze rechtstreeks hebben bijgedragen tot dat besluit. Deze bepaling verplichtte appellant derhalve niet de functie-enquêteformulieren spontaan aan de rechtbank te zenden. De Raad overweegt voorts dat artikel 8:45, eerste lid, van de Awb de rechtbank de mogelijkheid biedt het bestuursorgaan te verzoeken onder dat orgaan berustende stukken in te zenden. Op grond van het tweede lid van deze bepaling is een bestuursorgaan verplicht -behoudens de uit het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb voort-vloeiende beperkingen- aan een dergelijk verzoek van de rechtbank te voldoen. Op grond van genoemd artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kunnen partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. Genoemde gewichtige redenen zijn ingevolge artikel 8:29, tweede lid, van de Awb voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voorzover ingevolge de WOB de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. Volgens de Memorie van Toelichting gaat het hierbij om een aantal belangen. Allereerst gaat het om bescherming van het belang dat partijen over en weer beschikken over de relevante informatie om de door hen gewenste positie in de procedure in te nemen. Het gaat eveneens om bescherming van het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste wijze af te doen. Maar het gaat ook om bescherming van het belang dat bepaalde gegevens niet, althans slechts in beperkte mate, openbaar worden. Indien een partij zich op het standpunt stelt dat bepaalde stukken niet kunnen worden overgelegd in een procedure, is het aan de rechter om te beslissen of desondanks die stukken dienen te worden overgelegd. Dit uitgangspunt is ook neergelegd in het derde lid van artikel 8:29 van de Awb, waarin is bepaald dat de rechtbank beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bij een dergelijke beslissing dient zwaar te wegen dat de rechter een volledig en onbeperkt onderzoek moet kunnen instellen naar de zaak, zowel wat de feiten als wat het recht betreft. Bovendien vloeit uit het verdedigingsbeginsel voort, dat de rechter bij dat onderzoek en de vaststelling van de feiten zich in beginsel alleen op gegevens van feitelijke aard mag baseren waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en in het proces ter discussie hebben kunnen stellen. In het onderhavige geval is de hoogte van de door appellant gehanteerde lonen van de functies op grond waarvan de resterende verdiencapaciteit van gedaagde is vastgesteld, door de gemachtigde van gedaagde gemotiveerd en gedocumenteerd bestreden. Desondanks heeft appellant naar aanleiding van de hierboven genoemde brieven van de rechtbank te kennen gegeven niet bereid te zijn de betreffende functie-enquêteformulieren aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank heeft hieruit geconcludeerd dat appellant niet bereid was te voldoen aan een verzoek op grond van artikel 8:45 van de Awb om de betreffende functie-enquêteformulieren over te leggen te voldoen. Door die weigering de bedoelde stukken over te leggen is gedaagde en de rechtbank de mogelijkheid onthouden om na te gaan of en in hoeverre de daarin vermelde gegevens juist zijn. Appellant heeft ter zake van de weigering om de door de rechtbank gevraagde stukken over te leggen een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb. In reactie daarop heeft de rechtbank beoordeeld of in het onderhavige geval geheimhouding op gro