Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-03-17
ECLI:NL:CRVB:1998:AA8623
97/6793 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 24 juni 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. De president van de Raad heeft bij uitspraak van 30 september 1997 de werking van de aangevallen uitspraak geschorst. Namens gedaagde heeft mr N. Desloover, advocaat te Rotterdam, bij brief van 23 oktober 1997 een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 februari 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Gedaagde en zijn gemachtigde zijn daar niet verschenen. II. MOTIVERING Gedaagde, in 1946 te C geboren en van Nederlandse nationaliteit, heeft laatstelijk vanaf 1987 in Suriname gewoond. Hij verbouwde daar rijst waarmee hij in zijn levensonderhoud voorzag. Hij bezit (nog steeds) grond en een woning in Suriname. Op 5 februari 1996 is gedaagde vanuit Suriname naar Nederland vertrokken en op 7 februari daaropvolgend heeft hij bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van appellants gemeente een aanvraag om uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Hij heeft in dat verband onder meer aangegeven dat hij als onderhuurder bij zijn neef aan de D-singel te B woont tegen een huur van f 200,-- per maand. Bedoelde neef heeft dat bevestigd in een "verklaring onderhuur" d.d. 28 februari 1996, inhoudende dat hij -de neef- zijn huurwoning tijdelijk gedeeltelijk aan gedaagde onderverhuurt. Bij besluit van 14 maart 1996 is de aanvraag van gedaagde afgewezen op de gronden dat hij in Suriname als zelfstandige werkzaam is en daarmee over voldoende middelen beschikt om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien alsmede dat hij zijn hoofdverblijf niet in Nederland heeft. In het kader van het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift zijn nadere onderzoeken ingesteld door medewerkers van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid en door Sociaal Rechercheurs waaruit naar voren is gekomen dat gedaagde niet op het door hem opgegeven adres woont maar waaruit niet duidelijk is geworden waar gedaagde wél woont. Bij het bestreden besluit van 29 oktober 1996 heeft appellant het bezwaarschrift van gedaagde ongegrond ver- klaard en de afwijzing van diens aanvraag om uitkering gehandhaafd, zulks op de grond dat het recht op uitkering niet is vast te stellen. Daarbij is onder meer overwogen dat gedaagde geen duidelijkheid heeft verstrekt omtrent zijn daadwerkelijke woonadres en evenmin voldoende informatie heeft verstrekt omtrent zijn bezittingen in Suriname en de eventuele inkomsten daaruit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in die uitspraak gestelde. Zij heeft daartoe -kort gezegd- overwogen dat gedaagde voor wat betreft zijn vermogen in en eventuele inkomsten vanuit Suriname geen schending van de in artikel 65 van de Abw neergelegde informatieplicht kan worden verweten omdat van de zijde van appellant eerst in een te laat stadium duidelijk is aangegeven welke bescheiden appellant ter zake wenst te ontvangen. Voorts is in de aangevallen uitspraak -waar appellant als verweerder en gedaagde als eiser is aangeduid- onder meer het volgende overwogen: "Met betrekking tot de door eiser verschafte gegevens omtrent zijn woonadres is de rechtbank een ander oordeel toegedaan. Uit onderzoek is gebleken dat eiser noch op het adres E-straat woonde, waarop hij sedert 1 maart 1996 was ingeschreven, noch op het door eiser aan verweerder opgegeven adres D-singel. Het door eiser aan verweerder overgelegde huurco