Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1997-04-10
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6976
O 96/1676 AW en 96/1677 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delfzijl, appellant I, en de raad van de gemeente Delfzijl, appellant II, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellant I en appellant II heeft mr J.W.C. van Kleef, verbonden aan Van Kleef en Partners te Boskoop, op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Groningen op 22 december 1995 onder nr. AW 93/114 AW V08 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr I.M.A. van Strien, juridisch medewerkster van de NOVON, een verweerschrift ingediend. Namens gedaagde is nog een reactie gezonden terwijl voorts, desgevraagd, enkele stukken zijn overgelegd. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad van 6 maart 1997, waar namens appellant is verschenen mr Van Kleef, voornoemd, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Van Strien, voornoemd. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Nadat gedaagde jarenlang werkzaam was geweest op de afdeling (...) van de secretarie van de gemeente Delfzijl is daaraan vanaf 1986 feitelijk een einde gekomen. In verband met enkele incidenten is gedaagde geschorst geweest en is hem tot slot buitengewoon verlof verleend, gedurende welke periode met hem en zijn (toenmalige) raadsvrouw - zonder succes - onderhandelingen zijn gevoerd om te komen tot een minnelijke ontslag- en uitkeringsregeling. Na daartoe verkregen machtiging door appellant II heeft appellant I gedaagde bij besluit van 23 maart 1993 ontslag verleend met ingang van 1 mei 1993. In de brief (van 24 maart 1993) waarbij dit ontslagbesluit aan gedaagde is bekendgemaakt, heeft appellant I voorts bekendheid gegeven aan het door appellant II (op 26 november 1992) genomen besluit waarbij de aan gedaagde ter zake van bedoeld ontslag verleende uitkering is vastgesteld. Het ontslagbesluit is gebaseerd op artikel H 11 van het toepasselijke Algemeen Ambtenarenreglement (AAR), voor zover hier van belang luidend: 1. Op voordracht van burgemeester en wethouders kan de raad bepalen dat een ambtenaar die vast is aangesteld eervol kan worden ontslagen op een bij zijn besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd. 2. In geval van ontslag op grond van dit artikel treft de raad, op voordracht van burgemeester en wethouders, een regeling waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke naar het oordeel van de raad, met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten. Deze uitkering zal niet minder mogen bedragen dan die welke hij krachtens de Wachtgeldverordening zou hebben genoten, indien die verordening op hem van toepassing zou zijn geweest. De door appellant II vastgestelde uitkering bedraagt blijkens de bovenbedoelde brief van appellant I 70% van de door gedaagde laatstelijk genoten bezoldiging. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het door appellant I genomen ontslagbesluit on