Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1997-04-01
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6764
96/2358 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, appellant, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 21 februari 1996, nummer ABW 1995/1011, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij uitspraak van 17 juni 1996, nummer 96/2367 ABW-VV, heeft 's Raads president de werking van de uitspraak van de rechtbank geschorst totdat op het hoger beroep in de bodemprocedure zal zijn beslist. Namens gedaagde heeft mr R.T. Bocxe, advocaat te Hoorn, bij brief van 30 september 1996 een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 25 februari 1997, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr ing. F.A.J. Groenendijk, werkzaam bij de gemeente Hoorn, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr Bocxe, voornoemd. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is, voor zover hier van belang, het volgende gebleken. Gedaagde, geboren in 1977, heeft tot 21 oktober 1996 bij haar ouders gewoond. Zij is op in november 1994 gehuwd met D., die korte tijd bij haar ouders heeft ingewoond en haar vervolgens op in november 1994 weer heeft verlaten. Gedaagde heeft appellant op 9 december 1994 om toekenning van een ABW-uitkering verzocht. Die aanvraag strekte ertoe dat in verband met de verlating door haar echtgenoot en met het oog op de kosten van het kind, dat zij verwachtte, bijstand zou worden toegekend. Appellant heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 19 januari 1995 op de grond dat de ouders van gedaagde onderhoudsplichtig zijn en dat niet is gebleken dat op grond van bijzondere omstandigheden bijstand dient te worden verleend met toepassing van artikel 6 van de ABW. In het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is onder meer gewezen op het feit dat gedaagde voor de opvoeding en verzorging staat van haar kind C., dat op 15 februari 1995 is geboren, en dat zij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan van zichzelf en in die van haar kind te voorzien. Appellant heeft het bezwaarschrift ongegrond verklaard bij besluit van 18 april 1995. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank gegrond verklaard op grond van de volgende overwegingen: "Artikel 1, eerste lid, ABW bepaalt dat aan iedere Nederlander, die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken, dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand wordt verleend door burgemeester en wethouders. Ingevolge artikel 5, eerste lid, ABW wordt bijstand als gezinsbijstand verleend aan echtelieden met hun minderjarige kinderen. Ingevolge het stelsel van de ABW en het Bijstandsbesluit landelijke normering (BLN) komt aan een minderjarige in beginsel geen zelfstandig recht op bijstand toe. Eiseres was ten tijde van het bestreden besluit 17 jaar oud. Eiseres was inmiddels door haar huwelijk naar burgerlijk recht meerderjarig geworden. Naar het oordeel van de rechtbank leidt deze meerderjarigheid er echter niet toe dat eiseres een zelfstandig recht op bijstand verkrijgt. De rechtbank wijst hierbij op het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de ABW in samenhang met artikel 395a van boek 1 BW waarin is bepaald dat ouders zijn gehouden tot het verstrekken van levensonderhoud van hun minderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt. Deze onderhoudsplicht vindt zijn beperking in de Subsidiair is appellant van mening dat de door de rechtbank aangegeven norm voor de bepaling van de hoogte van de ten behoeve van gedaagdes dochter te verlenen bijstand niet juist is. In het verweerschrift heeft gedaagde primair de Raad verzocht te beslissen dat gedaagde een zelfstandig recht op bijstand toekomt en subsidiair de Raad verzocht om de uitspraak van de rechtbank te bevestigen. De Raad overweegt het volgende. De rechtbank heeft beslist dat gedaagde ten tijde als hier van belang niet voor zichzelf aanspraak kon maken op een bijstandsuitkering. Gedaagde heeft tegen dit onderdeel van de uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Dit brengt mee dat bij de oordeelsvorming in hoger beroep dit oordeel van de rechtbank als een in rechte vaststaand gegeven moet worden beschouwd en dat voorbijgegaan moet worden aan hetgeen van de zijde van gedaagde daaromtrent is aangevoerd. De omvang van het onderhavige hoger beroep is immers beperkt tot de door appellant aan de Raad voorgelegde vraag of en zo ja, tot welk bedrag, met ingang van 15 februari 1995 ten behoeve van gedaagdes dochter C. bijstand moet worden verleend. Met betrekking tot die vraag overweegt de Raad het volgende. In artikel 5 van de ABW ligt het uitgangspunt besloten dat de bijstand als gezinsbijstand wordt verleend aan echtgenoten, aan ouders met hun minderjarige (stief)-kinderen alsmede met hun meerderjarige kinderen, ten aanzien van wie zij een onderhoudsplicht hebben als bedoeld in artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit uitgangspunt brengt mee dat aan een minderjarige als gedaagdes dochter C. in beginsel geen zelfstandig recht op bijstand toekomt. Artikel 6 van de ABW biedt de mogelijkheid tot afwijking van artikel 5, indien zulks gelet op alle omstandigheden wenselijk is. De Raad is van oordeel dat er in het voorliggende geval aanleiding is om ten behoeve van C. aan artikel 6 toepassing te geven. De Raad neemt daartoe in aanmerking dat gedaagde op grond van het bepaalde in het eerste lid van artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gehouden was tot het verstrekken van levensonderhoud aan C. maar niet over de middelen beschikte om hierin te voorzien. Voorts acht de Raad van belang dat van gedaagde redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij voor de kosten van levensonderhoud van C. een beroep deed op haar ouders, zoals in het standpunt van appellant besloten ligt. Deze ouders waren wel onderhoudsplichtig ten opzichte van gedaagde maar niet ten opzichte van C. Het beroep van appellant op de hiervoor vermelde uitspraken van de Kroon en de AGRS heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De Raad merkt daarbij op dat de in die zaken berechte gevallen onvoldoende vergelijkbaar zijn, omdat het in die gevallen niet, zoals in casu, ging om een aanvraag om bijstand van een jongmeerderjarige voor de bestaanskosten van haar minderjarige kind. De primaire grief van appellant treft derhalve geen doel. De subsidiaire grief van appellant is in het beroepschrift onder meer als volgt toegelicht: "Ten onrechte stelt de Rechtbank dat ten behoeve van verweersters dochtertje bijstand moet worden verleend naar de norm van een bij de ouders wonende éénoudergezin waarvan het hoofd jonger is dan 21 jaar, verminderd met de norm van een bij de ouders inwonende alleenstaande van 18 jaar. Toelichting: De door de Rechtbank gehanteerde normstelling heeft tot gevolg dat ten behoeve van verweersters één-jarig dochtertje een bedrag van ƒ 705,41 per maand moet worden verstrekt (namelijk ƒ 1.179,22 minus ƒ 473,81). Het aldus vastgestelde bedrag is ruim hoger dan het bedrag dat een alleenstaande bij ouders inwonende jongere beneden 21 jaar ontvangt. Waar de Algemene Bijstandswet derhalve voor een thuisinwonend kind van 18 jaar een bedrag van ƒ 473,81 als norm stelt en daarmee kennelijk een relatie heeft gelegd met de financiële behoefte van een dergelijk kind staat het door de Rechtbank vastgestelde bedrag daarmee tot in een uiterst scheve verhouding. Wanneer aan het B