Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1996-12-18
ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6672
95/8795 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [Appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij brief van 13 oktober 1994 is appellante namens gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit in het kader van de Ziektewet (ZW). De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 6 november 1995 het besluit vernietigd in zoverre (thans) appellante daarbij voor 60% geschikt werd verklaard over de periode van 13 tot 26 september 1994 onder gegrondverklaring van het beroep in zoverre, en het beroep tegen de geschiktverklaring per 26 september 1994 ongegrond verklaard. Namens appellante is mr P.H. de Jager, advocaat te Rotterdam, op de bij een aanvullend beroepschrift van 15 maart 1996 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij verweerschrift van 16 april 1996 heeft gedaagde aan de Raad meegedeeld van mening te zijn gebleven dat zijn besluit om aan appellante met ingang van 26 september 1994 geen verdere uitkering krachtens de ZW te verlenen op goede gronden is genomen. Mr A.B.M. Koster, advocaat te Amersfoort, heeft de Raad bij brief van 10 september 1996 bericht de zaak van mr De Jager, voornoemd, te hebben overgenomen en heeft meegezonden een verklaring d.d. 6 september 1996 van de zenuwarts B.J.M. Franssen aan de huisarts van appellante. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 september 1996, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door A.L.J. Cakab als tolk. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid, zoals hij schriftelijk heeft bericht, niet doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Met betrekking tot gedaagdes besluitvorming overweegt de Raad eerst het volgende. Bij brief van 13 oktober 1994 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld van zijn besluit dat hij haar ter zake van haar ziektegeval van 1 april 1994 per 13 september 1994 voor 60% en per 26 september 1994 voor 100% arbeidsgeschikt acht en met ingang van 26 september 1994 geen verdere uitkering krachtens de ZW verleent. Tegen dat besluit heeft appellante beroep ingesteld. Op een vraag van de rechtbank heeft gedaagde bij brief van 3 april 1995 meegedeeld dat over de periode 13 september 1994 tot 26 september 1994 sprake was van gedeeltelijke weigering van ziekengeld onder toepassing van artikel 30 lid 2 ZW en dat daarvoor het op grond van in het artikel 30 lid 5 ZW bedoelde besluit vereiste advies van de Gemeenschappelijke Medische Dienst ontbrak. Vervolgens stelde gedaagde appellante bij brief van 18 mei 1995 in kennis dat op gronden van zorgvuldigheid alsnog het haar toekomende ziekengeld over de periode van 13 september 1994 tot 26 september 1994 wordt uitgekeerd en dat haar met ingang van 26 september 1994 geen verdere uitkering krachtens de ZW wordt verleend. Het slot van die brief vermeldt de beroepsclausule van 14 dagen. Een afschrift van die brief is aan de rechtbank gezonden met het verzoek de nieuwe beschikking van 18 mei 1995 naast de bestreden beschikking van 13 oktober 1994 ten gronde te beoordelen. De Raad stelt vast dat gedaagdes brief van 18 mei 1995 een besluit inhoudt waarbij het eerdere besluit van 13 oktober 1994 wordt gewijzigd voorzover het -impliciet- de weigering tot gedeeltelijke uitbetaling van het over de periode van 13 september 1994 tot 26 september 1994 toekomende ziekengeld betreft. Het besluit tot weigering van ziekengeld met ingang van 26 september 1994 is daarbij in stand gelaten. Met de brief van 18 mei 1995 heeft gedaagde klaarblijkelijk beoogd dit laatste nogmaals, en naar het oordeel van de Raad zonder noodzaak, te bevestigen. Gelet op aanhef, inhoud en strekking daarvan kan de Raad dat stuk niet zien als een besluit dat op enig ander, zelfstandig rechtsgevolg is gericht, dan reeds was beoogd met het niet ingetrokken zijnde besluit van 13 oktober 1994, te weten de weigering van zieken