Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1995-07-11
ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3191
AAW 1993/V 56 O. U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., verzoekster, en het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens verzoekster, geboren in 1971 en wegens geestelijke retardatie ten laste van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (hierna: AWBZ) opgenomen in een inrichting, is op 1 mei 1991 aan het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (hierna: het bestuur) verzocht om verstrekking van een vervoersvoorziening krachtens artikel 57 lid 2 (oud) van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW). Bij voor beroep vatbare beslissing van 13 december 1991 is dat verzoek, in het voetspoor van het door de Gemeenschappelijke Medische Dienst (hierna: GMD) uitgebracht advies van 18 september 1991, door dat bestuur afgewezen. De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 21 december 1992 het namens verzoekster tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Blijkens die uitspraak spitste het daarbij besliste geschil zich toe op de vraag of de extra kosten, verbonden aan de voor verzoekster bij gebruikmaking van het openbaar vervoer vereiste begeleiding, in aanmerking kunnen komen voor vergoeding bij wijze van voorziening krachtens de AAW. Dienaangaande heeft de rechtbank, uitgaande van de krachtens artikel 57 (oud) van de AAW geldende afbakening ten opzichte van het terrein van de gezondheidszorg, geoordeeld dat die begeleiding in beginsel behoort tot de verzorgingstaak van de inrichting waar verzoekster ten laste van de AWBZ verblijft en dat er deswege geen ruimte is voor vergoeding krachtens de AAW. Het vanwege verzoekster door mr A. Schreurs, advocaat te Tilburg, tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep is bij deze Raad geregistreerd onder nr AAW 1993/V 56. Bij beroepschrift is in dat geding aan de Raad onder meer verzocht te bepalen dat verzoekster, gezien haar deels buiten de inrichting gelegen sociale contacten en de daarbij vereiste begeleiding bij het vervoer, in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening ingevolge de AAW. Voormeld hoger beroep en het daarop gevolgd (hierna te melden) verzoek om een proceskostenveroordeling zijn achtereenvolgens door de Raad mondeling behandeld op 12 april 1994 en 30 mei 1995. Verzoekster is daar niet verschenen terwijl genoemd bestuur zich tijdens die zittingen successievelijk heeft doen vertegenwoordigen door mr H.J.A. Bos en mr L.B.F.M. Helwig, beiden werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. Tijdens eerstgenoemde zitting, is namens het bestuur desgevraagd onder meer het volgende naar voren gebracht: "Ik heb geen nadere informatie over de (on)mogelijkheid van het personeel van Huize X. om begeleiding te bieden, maar ik maak uit de stukken op dat de ouders die begeleiding zonder meer bieden. De begeleidingskosten wil men vergoed krijgen. Naar aanleiding van de jurisprudentie van de Centrale Raad heeft de bedrijfsvereniging een nieuw beleid ontwikkeld dat bekend is gemaakt in 1993, maar dat al gelding had in 1991, het jaar waarin dat beleid tot ontwikkeling kwam. Vraag is of de gehandicapte zelfstandig in enigerlei mate sociale contacten kan leggen en onderhouden, en daarmee wordt dan bepaald wat het thuis is van die persoon. Men wil rekening houden met de behoefte van met name een volwassene wat het houden van eigen, individuele sociale contacten die niet betreffen het zogenaamde weekendvervoer en de collectieve recreatie vanuit de inrichting. Dat zou dan een vervoersbehoefte kunnen zijn waarin niet voorzien kan worden door personeelsgebrek bij een dergelijke inrichting. Dat zou dan een vervoersbehoefte kunnen zijn waarin niet voorzien kan worden door personeelsgebrek bij een dergelijke inrichting. Dat houdt in dat een kilometervergoeding of taxikostenvergoeding wordt toegekend wanneer de belanghebbende niet van het openbaar vervoer gebruik kan maken of niet terug kan vallen op begeleiding van vaste verzorgers buiten de inrichting (bijvoorbee