Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1995-08-28
ECLI:NL:CRVB:1995:AA8482
WW 1994/194 U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B, appellant, en het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is mr M. de Boorder, advocaat te 's-Gravenhage, op bij een hoger beroepschrift en een aanvullend hoger beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 18 augustus 1993 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Dit beroep is tijdig ingesteld met toepassing van artikel 79 van de Beroepswet, zoals deze luidde tot 1 januari 1994, nadat gedaagde zijn beroep tegen voornoemde uitspraak had ingetrokken. Bij brieven van 19 april en 3 mei 1995, met bijlagen, heeft gedaagde de door de Raad gestelde vragen beantwoord. Namens appellant is daarop gereageerd bij brieven van 27 april, 29 juni en 10 juli 1995, met bijlagen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 augustus 1995, waar appellant, hoewel ambtshalve als partij opgeroepen om in persoon te verschijnen, niet in persoon is verschenen, doch bij zijn gemachtigde mr De Boorder, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr G.P. van Delft, werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. Het hoger beroep is namens appellant ingesteld bij hoger beroepschrift van 12 april 1994. Aangezien zich ten deze geen van de situaties voordoet die in de hier toepasselijke wettelijke regels van overgangsrecht zijn voorzien is, anders dan de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad heeft betoogd, het procesrecht van toepassing zoals dat luidt met ingang van 1 januari 1994. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant heeft van 4 september 1989 tot en met 31 juli 1991 als internationaal chauffeur in een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd gestaan tot X Transporten B.V. te Bergschenhoek (hierna: X). Van 8 juli 1991 tot en met 8 september 1991 was appellant wegens ziekte arbeidsongeschikt en ontving hij een uitkering ingevolge de Ziektewet. Appellant heeft zich op 10 september 1991 als werkzoekend chauffeur laten inschrijven bij het arbeidsbureau te 's-Gravenhage. Op 18 september 1991 heeft appellant gedaagde verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW). Daarbij heeft appellant aangegeven, wegens een aantal in zijn aanvrage voor die uitkering genoemde bezwaren, ontslag te hebben genomen bij X. Bij de bestreden beslissing van 17 februari 1992 heeft gedaagde appellant met ingang van 9 september 1991 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Voorts heeft gedaagde daarbij, met kennelijke toepassing van artikel 24, eerste lid, onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, onder b van de WW en artikel 27 van die wet, besloten om op deze uitkering een sanctie toe te passen, inhoudend een korting op de uitkering van 20% gedurende 13 weken, wegens verwijtbare werkloosheid. Gedaagde was blijkens de bestreden beslissing van oordeel dat de door appellant genoemde, als aan de dienstbetrekking verbonden, bezwaren niet zodanig waren dat voortzetting van de dienstbetrekking door appellant redelijkerwijze niet van hem kon worden gevergd. Gedaagde was voorts van oordeel dat appellant door zijn ontslag zeer verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden beslissing niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat beroep was gericht tegen vaststelling door gedaagde van appellants dagloon. Voor het overige is dat beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd en is bepaald dat gedaagde een nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de rechtbank is overwogen. Blijkens de aangevallen uitspraak was de eerste rechter van oordeel dat gedaagde