Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-03-17
ECLI:NL:CBB:2026:107
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/329 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen Veehouderij [naam] V.O.F., te [vestigingsplaats] (vennootschap) (gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigden: mr. S.H.B. van der Zalm en mr. I.M.H.G. Lankveld) Procesverloop Met het besluit van 28 september 2023 (herberekeningsbesluit) heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de vennootschap voor het jaar 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) herberekend, opnieuw vastgesteld en een bedrag teruggevorderd. Met het besluit van 21 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de vennootschap daartegen gedeeltelijk gegrond verklaard, het herberekeningsbesluit herroepen en het bedrag van de basis- en vergroeningsbetaling gewijzigd vastgesteld. De vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 2 februari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Overwegingen Inleiding 1.1 Met het besluit van 19 november 2019 heeft de minister de aan de vennootschap uit te betalen basis- en vergroeningsbetaling vastgesteld op € 17.728,44. 1.2 Met het herberekeningsbesluit heeft de minister de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling vanwege gewijzigde perceelsgegevens verlaagd tot € 16.693,44 en een bedrag van € 1.035,00 teruggevorderd. 1.3 Met het bestreden besluit heeft de minister het herberekeningsbesluit herroepen en de basis- en vergroeningsbetaling vastgesteld op € 16.936,63 en aan de vennootschap € 243,19 terugbetaald. 2 Ter beoordeling staat of de minister de subsidiabele oppervlakte van de percelen 1, 7, 13 (+ 37) en 14 juist heeft vastgesteld. Percelen algemeen 3.1 Het bedrag van de basis- en vergroeningsbetaling is afhankelijk van de subsidiabele hectares. Een 'subsidiabele hectare' is ieder landbouwareaal van het bedrijf dat het gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het dat areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ). Onder 'landbouwareaal' wordt – voor zover hier van belang – verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als blijvend grasland en blijvend weiland (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e). 3.2 Onder blijvend grasland en blijvend weiland wordt – voor zover hier van belang – verstaan grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h). Hierbij worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel (artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 ). Percelen 1 en 14 (verruiging) 4.1 De minister vindt dat delen van de percelen 1 en 14 niet subsidiabel zijn. Uit de luchtfoto’s van deze percelen blijkt dat, gelet op de kleur en structuur, de afgekeurde delen (aan de westzijde) van perceel 1 en (aan de west- en zuidwestzijde van) perceel 14 dusdanig verruigd zijn dat geen sprake is van overheersende grassen en andere kruidachtige voedergewassen. Dit blijkt volgens de minister ook uit de cyclomediabeelden van perceel 1 waarop duidelijk is te zien dat op de afgewezen delen een hoger, wolliger gewas zichtbaar is en dat er daarnaast struiken en kleine bomen staan. 4.2