Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-07-08
ECLI:NL:CBB:2025:356
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,249 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/123
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2025 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats]
(gemachtigde: mr. R. Verkoijen)
en
de minister van Klimaat en Groene Groei
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 5 oktober 2023 heeft de minister aan [naam] een subsidie op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) verleend.
Met het besluit van 21 december 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 22 mei 2025. Aan de zitting hebben [naam] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Aanleiding voor deze procedure
[naam] heeft op 20 september 2023 subsidie op grond van de Regeling aangevraagd voor investeringen in glasisolatie en dakisolatie. De minister heeft alleen subsidie verleend voor de investering in glasisolatie. De investering in dakisolatie komt volgens de minister niet in aanmerking voor subsidie, omdat [naam] een B-keuze isolatiemateriaal heeft aangebracht. B-keuze materiaal beschikt volgens de minister niet over de benodigde prestatieverklaring.
[naam] voert aan dat de Regeling niet vereist dat het materiaal een A-keuze moet zijn. Het door hem aangebrachte isolatiemateriaal voldoet aan alle voorwaarden uit de Regeling. Het materiaal is voorzien van een CE-keurmerk en [naam] heeft de prestatieverklaring en technische gegevens van de fabrikant overgelegd. Beoordeling door het College
3.1
Op grond van artikel 4.5.2, derde lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Regeling (zoals deze bepaling gold ten tijde van belang en voor zover relevant) wordt subsidie verstrekt voor de aanschaf en het laten aanbrengen van isolatiemateriaal voor dakisolatie, dat is voorzien van een prestatieverklaring, waarbij het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft.
3.2
De minister heeft een meldcodelijst opgesteld met een overzicht van merk- en productnamen van isolatiematerialen die zijn goedgekeurd en in ieder geval in aanmerking komen voor subsidie. Ook andere isolatiematerialen kunnen voor subsidie in aanmerking komen. In dat geval moet een prestatieverklaring worden overgelegd waaruit volgt dat het isolatiemateriaal voldoet aan de vereisten in de Regeling.
3.3
Op de factuur die [naam] bij zijn aanvraag heeft ingediend, staat dat het gebruikte materiaal B-keuze is. Er staat geen meldcode op de factuur. [naam] heeft wel een prestatieverklaring overgelegd. Uit de uitspraak van het College van 23 april 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:294) volgt echter dat met die prestatieverklaring in dit geval niet kan worden aangetoond dat het materiaal aan de vereisten in de Regeling voldoet. Als een fabrikant het product B-keuze noemt, blijkt daaruit namelijk dat het materiaal niet de eigenschappen heeft zoals omschreven in de prestatieverklaring. Dit betekent dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen.
4. Voor zover [naam] een beroep op het rechtszekerheids-, gelijkheids-, dan wel vertrouwensbeginsel heeft gedaan, oordeelt het College dat hij dit beroep onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd heeft. Voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel ziet het College ook geen aanleiding. [naam] heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat toepassing van de Regeling in dit geval tot een onevenredige uitkomst leidt.
5. Ten slotte heeft [naam] tijdens de zitting nog opgemerkt dat de hele procedure erg lang heeft geduurd. Het College begrijpt dat dat frustrerend is. Het College stelt echter vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, niet is overschreden. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt namelijk twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. In dit geval was dat op 24 oktober 2023. [naam] komt daarom niet in aanmerking voor een schadevergoeding.
6. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2025.
w.g. H.S.J. Albers w.g. A.A. Dijk