Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-06-03
ECLI:NL:CBB:2025:322
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,084 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/1504, 23/1505, 23/1506 en 23/1507
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2025 in de zaken tussen
V.O.F. [naam 1] B.V., te [woonplaats] (ondernemingen)
(gemachtigde: mr. A.W. Gaertner RB)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. drs. G.O. Hoeksma en mr. S. Piron)
Procesverloop
Met vier afzonderlijke besluiten van 26 januari 2023 en 14 februari 2023 heeft de minister de aanvragen van de ondernemingen voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL1) en de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de perioden juni tot en met september van 2020, het vierde kwartaal (Q4) van 2020 en het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen, omdat deze niet binnen de aanvraagperiode zijn ingediend.
Met vier afzonderlijke besluiten van 31 mei 2023 (bestreden besluiten) heeft de minister de bezwaren van de ondernemingen ongegrond verklaard.
De ondernemingen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De minister heeft verweerschriften ingediend.
De zitting was op 23 januari 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de ondernemingen en de gemachtigden van partijen.
Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de ondernemingen de gelegenheid te geven nadere informatie te verstrekken. De minister heeft naar aanleiding daarvan gereageerd.
Het College heeft partijen laten weten dat het een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft het College het onderzoek gesloten en de zaak niet verder behandeld op een zitting.
Beoordeling
1. De minister heeft de aanvragen van de ondernemingen op grond van de TVL1 en TVL voor de perioden juni tot en met september van 2020, Q4 van 2020 en Q1 van 2021 afgewezen, omdat deze niet binnen de aanvraagperiode zijn ingediend.
2 Na de schorsing van het onderzoek ter zitting heeft de minister aangekondigd de aanvragen alsnog inhoudelijk te zullen beoordelen. Het College maakt hieruit op dat de minister het standpunt dat de aanvragen van de ondernemingen worden afgewezen omdat deze niet tijdig zijn ingediend, niet langer handhaaft. De ondernemingen hebben inmiddels de gelegenheid gekregen opnieuw een aanvraag in te dienen en daarvan ook gebruik gemaakt. Omdat de minister zijn standpunt in de bestreden besluiten niet langer handhaaft, zal het College de beroepen gegrond verklaren en de minister opdragen op de aanvragen van de ondernemingen te beslissen.
3 Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de ondernemingen. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-, vermenigvuldigd met een factor 1,5 omdat sprake is van 4 of meer samenhangende beroepszaken). Daarnaast draagt het College de minister op het betaalde griffierecht van € 1.460,- aan de ondernemingen te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart:
de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten;
herroept de primaire besluiten;
draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe beslissingen te nemen op de aanvragen van de ondernemingen;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 1.460,- aan de ondernemingen te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de ondernemingen tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van
mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2025.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. M. Ettema