Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-05-13
ECLI:NL:CBB:2025:298
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,802 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1368
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 mei 2025 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. S. Tan)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes)
Procesverloop
Met het besluit van 6 februari 2023 (subsidiebesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming om subsidie op grond van artikel 4.7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (Regeling) gedeeltelijk afgewezen.
Met het besluit van 17 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen het subsidiebesluit ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
De zitting was op 19 maart 2025. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Aanleiding voor deze procedure
1. De onderneming heeft op 14 februari 2022 ten behoeve van de aanschaf van een
rooimachine van het type AVR 9200 WB varioweb subsidie ten bedrage van € 145.500,- aangevraagd. Dit is berekend als het subsidiepercentage van 60% over de totale aanschafkosten van € 242.500,-. De machine bevat verschillende systemen, waaronder het systeem voor plaatsspecifieke opbrengstmeting in verband met de oogst van aardappelen. In de offerte is dit systeem opgenomen als een dealeroptie van € 12.500.
2 Met het subsidiebesluit heeft de minister € 7.500,- aan subsidie verstrekt aan de
onderneming. Volgens de minister komt op grond van artikel 4.7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, in samenhang met investeringscategorie A1 Groei en Oogsten van bijlage 5 van de Regeling, alleen de investering in een systeem voor plaatsspecifieke opbrengstmeting voor subsidie in aanmerking. Het bedrag van € 230.000,- voor de rooimachine valt hier niet onder. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en het subsidiebesluit in stand gelaten.
Standpunt van de onderneming
3 De onderneming stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft
geweigerd om ook voor de rooimachine subsidie te verstrekken. Volgens de onderneming komt de rooimachine namelijk wel degelijk in aanmerking voor subsidie, omdat deze noodzakelijk is voor de plaatsspecifieke opbrengstmeting. De onderneming merkt, onder verwijzing naar een verklaring van de leverancier, op dat de rooimachine een uniek reinigingssysteem heeft dat zorgt voor een goede balans tussen de reiniging en de kwaliteit van de aardappelen, zodat een nauwkeurige opbrengstmeting kan plaatsvinden. Dit betekent dat reiniging en plaatsspecifieke opbrengstmeting onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De opbrengstmeting kan dan ook alleen worden gedaan met de betreffende rooimachine. Dit wordt ook bevestigd door een fabrikant die gespecialiseerd is in het ontwikkelen en produceren van machines ten behoeve van het telen van aardappelen. De onderneming betoogt, onder verwijzing naar de definitie van het begrip ‘investering’ in artikel 4.7.1 van de Regeling, dat de aanschaf van de rooimachine (inclusief reinigingssysteem) tezamen met het systeem voor plaatsspecifieke opbrengstmeting beschouwd moet worden als één investering die voor subsidie in aanmerking komt.
Volgens de onderneming is er sprake van de schending van een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zo betoogt de onderneming dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens haar heeft de minister het feitencomplex onvoldoende onderzocht en bij het nemen van het bestreden besluit niet alle beschikbare informatie bij de heroverweging betrokken. De minister heeft namelijk de door de onderneming op 15 mei 2023 verstrekte informatie niet bij de heroverweging betrokken nu het bestreden besluit van 17 mei 2023 dateert. Ook is volgens de onderneming sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. De fabrikant heeft namelijk voorbeelden van andere agrariërs die wel de volledige subsidie, waaronder subsidie voor het reinigingssysteem, hebben ontvangen. De onderneming betoogt tot slot dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.
Beoordeling
4 Het College ziet zich voor de vraag gesteld of de minister terecht alleen subsidie ten behoeve van het systeem voor plaatsspecifieke opbrengstmeting heeft verleend. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
4.1
Uit de offerte van 24 januari 2022 in verband met de aanschaf van de rooimachine blijkt dat het systeem voor plaatsspecifieke opbrengstmeting geen onderdeel uitmaakt van de standaarduitrusting van de machine, maar op verzoek van de onderneming als dealeroptie daarbij kan worden geleverd. De rooimachine en het systeem voor plaatsspecifieke opbrengstmeting hebben beide een eigen nuttige functie. Dat volgens de onderneming dankzij het reinigingssysteem van de rooimachine een nauwkeurige opbrengstmeting kan plaatsvinden, doet daar niet aan af. In de investeringscategorie A1 van bijlage 5 van de Regeling zijn, voor zover hier van belang, alleen systemen voor plaatsspecifieke opbrengstmetingen subsidiabel gesteld. De rooimachine, zonder systeem voor plaatsspecifieke opbrengstmeting, mist deze functionaliteit. Omdat de rooimachine (al dan niet met reinigingssysteem) kan worden gebruikt zonder het systeem voor plaatsspecifieke opbrengstmeting, is deze daarmee niet onlosmakelijk verbonden. De aanschaf van een rooimachine met een systeem voor plaatsspecifieke opbrengstmeting geldt daarom, anders dan de onderneming betoogt, niet als één investering in de zin van artikel 4.7.1. van de Regeling. Het voorgaande betekent dat de minister bij de subsidieverstrekking terecht heeft beslist dat de rooimachine niet ook voor subsidie in aanmerking komt.
5 De onderneming heeft haar betoog dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet onderbouwd. Dat de minister informatie die op 15 mei 2023 aan hem is toegezonden niet heeft meegenomen in zijn besluit van 17 mei 2023, zodat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, heeft de onderneming niet aannemelijk gemaakt. De gronden dat de minister in strijd heeft gehandeld met een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur slagen niet.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. H.S.J. Albers en mr. C.M. Wissels, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2025.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. H. Caglayankaya